Overslaan naar inhoud

De uitzonderingen op het eenheidsstatuut, onder meer voor de bouwsector

27 maart 2014
De wet op het eenheidsstatuut trad op 1 januari 2014 in werking en voert een nieuwe ontslagregeling in, bestaande uit nieuwe opzeggingstermijnen en een “vastkliksysteem” voor lopende arbeidsovereenkomsten. Op deze algemene regeling bestaan twee uitzonderingsregimes met afwijkende opzeggingstermijnen.  

 Afwijkende opzeggingstermijnen

Op de uitzonderingsregimes zijn volgende afwijkende opzeggingstermijnen van toepassing, enigszins geïnspireerd op de opzeggingstermijnen van de cao nr. 75:  
Anciënniteit Ontslag door werkgever Ontslag door werknemer
Minder dan 3 maanden 2 weken 1 week
3 tot 6 maanden 4 weken 2 weken
6 maanden tot 5 jaar 5 weken 2 weken
5 jaar tot 10 jaar 6 weken 3 weken
10 jaar tot 15 jaar 8 weken 4 weken
15 jaar tot 20 jaar 12 weken 6 weken
Meer dan 20 jaar 16 weken 8 weken
Deze opzeggingstermijnen zijn zowel op de nieuwe als op de bestaande arbeidsovereenkomsten van toepassing. Er geldt met andere woorden geen “vastkliksysteem” op basis van opgebouwde anciënniteit tot eind 2013, zoals in de gewone regeling.   Tijdelijke uitzondering   Het tijdelijk uitzonderingsregime is van toepassing op sectoren waarin op 31 december 2013 opzeggingstermijnen waren vastgesteld lager dan de termijnen bepaald in de cao nr. 75. De geviseerde sectoren betreffen onder meer de bouwsector (PC 124), kleding en confectie (PC 109), stoffering en houtbewerking (PC 126), etc.   De verkorte opzeggingstermijnen zijn tijdelijk van toepassing tot en met 31 december 2017, tenzij de sectoren ervoor kiezen om sneller in het algemene systeem te stappen. Vanaf 1 januari 2018 moet de algemene regeling op al deze arbeiders van toepassing zijn. Structurele uitzondering   De structurele (permanente) uitzondering geldt voor werknemers die cumulatief aan volgende voorwaarden voldoen:   - behoren tot een sector waarin op 31 december 2013 opzeggingstermijnen waren vastgesteld, lager dan de cao nr. 75; - geen vaste plaats van tewerkstelling hebben; - en gewoonlijk op tijdelijke en mobiele bouwplaatsen één van de volgende activiteiten uitvoeren: graafwerken, grondwerken, funderings- en verstevigingswerken, waterbouwkundige werken, wegenwerken, landbouwwerken, plaatsing van nutsleidingen, bouwwerken, montage en demontage van, inzonderheid, geprefabriceerde elementen, liggers en kolommen, inrichtings- of uitrustingswerken, verbouwingswerken, vernieuwbouw, herstellingswerken, ontmantelingswerken, sloopwerken, instandhoudingswerken, onderhouds-, schilder- en reinigingswerken, saneringswerken, afwerkingswerkzaamheden behorend bij één of meer werken hierboven vermeld. Het betreft hier niet alleen arbeiders uit de bouwsector (PC 124), maar mogelijk ook arbeiders uit de metaalsector (PC 111) en de stoffering en houtbewerking (PC 126). Voor deze arbeiders zijn de afwijkende opzeggingstermijnen blijvend van toepassing.  

Toekomst?

De afwijkende regeling wordt in de Memorie van Toelichting bij de wet gemotiveerd door verwijzing naar de schaarste van werknemers op de arbeidsmarkt en, voor wat betreft de structurele afwijking, het vermijden van het systematisch gebruik van overeenkomsten voor bepaalde tijd.   De Raad van State stelde grote vraagtekens bij deze motivering, in het bijzonder voor wat betreft de structurele afwijking voor tijdelijke en mobiele bouwplaatsen. De vraag rijst of met deze regeling niet opnieuw een ongerechtvaardigd verschil in behandeling tussen werknemers wordt gecreëerd.

Het valt dan ook te wachten of deze afwijkingen een nieuwe test door het Grondwettelijk Hof zullen doorstaan. To be continued…

Deel deze post
Labels
Archief