Met de wet van 25 augustus 2012 wil de wetgever via een sectorale benadering de problematiek rond de schijnzelfstandigheid/schijnwerknemerschap en zware concurrentievervalsing een halt toeroepen. Deze nieuwe wet treedt in werking op 1 januari 2013. Niet zelden kennen werknemers zich ten onrechte een zelfstandigenstatuut toe of geven zelfstandigen zich ten onrechte uit als werknemers, i.e. schijnwerknemers. De redenen hiervoor zijn van diverse aard; besparingen op de arbeidskost, zwartwerk mogelijk maken, sociale zekerheidsrechten openen in het stelsel van de werknemers,… Thans zal een herkwalificatie van de arbeidsrelatie zich opdringen (mede met een aanpassing van het overeenstemmend stelsel van sociale zekerheid) wanneer de uitoefening van de arbeidsrelatie voldoende elementen naar voor brengt die onverenigbaar zijn met de kwalificatie die door de partijen aan de arbeidsrelatie werd gegeven of wanneer de kwalificatie die door partijen aan de arbeidsrelatie werd gegeven niet overeenstemt met de aard van de arbeidsrelatie zoals deze wordt vermoed overeenkomstig deze wet en dit vermoeden niet werd weerlegd. Hiertoe roept de wet van 25 augustus 2012 een negental criteria in het leven die een essentiële rol zullen spelen bij de kwalificatie van een aantal relaties. De wet is zeer duidelijk en voert een weerlegbaar vermoeden in dat wijst op het bestaan van een band van ondergeschiktheid. Wanneer uit de analyse van de arbeidsrelatie blijkt dat meer dan de helft van de negen criteria is vervuld, zal de desbetreffende arbeidsrelatie worden vermoed een arbeidsovereenkomst te zijn, tenzij en totdat dit vermoeden weerlegd wordt. Het gaat om volgende criteria:
i. ontstentenis van enig financieel of economisch risico, ii. ontstentenis van verantwoordelijkheid en beslissingsmacht aangaande de financiële middelen van de onderneming, iii. ontstentenis van beslissingsmacht over het aankoopbeleid van de onderneming, iv. ontstentenis van beslissingsmacht over het prijsbeleid van de onderneming, behoudens wanneer de prijzen wettelijk zijn vastgelegd, v. ontstentenis van resultaatsverbintenis over de overeengekomen arbeid, vi. de garantie op betaling van een vaste vergoeding, ongeacht de bedrijfsresultaten of de omvang van de prestaties, vii. zelf geen werkgever zijn van persoonlijk en vrij aangeworven personeel of het ontbreken van de mogelijkheid om voor de uitvoering van het overeengekomen werk personeel aan te werven of zich te laten vervangen, viii. zich niet voordoen als een onderneming ten overstaan van andere personen of hoofdzakelijk of gewoonlijk voor één medecontractant werken, ix. in ruimtes werken waarvan men niet de eigenaar of de huurder is of werken met materiaal dat ter beschikking wordt gesteld, gefinancierd of gewaarborgd door de medecontractant. Omgekeerd, indien blijkt dat meer dan de helft van de hierboven vermelde criteria niet vervuld is, wordt de desbetreffende arbeidsrelatie weerlegbaar vermoed een zelfstandigenovereenkomst te zijn.De wet regelt daarnaast ook het toepassingsgebied van dit weerlegbaar vermoeden. Aldus kan slechts een arbeidsrelatie geviseerd worden wanneer deze onder één van de hierna volgende sectoren valt;
i. de bouwsector, ii. de bewakingssector, iii. de transportsector, met uitzondering van de ambulancediensten en het vervoer van personen met een handicap, iv. de schoonmaaksector.Desalniettemin, moet er op gewezen worden dat deze lijst, weliswaar na advies, uitgebreid kan worden met andere sectoren zodat ook zij op een bepaald moment het voorgestelde systeem zouden kunnen onderschrijven. Wat de familiale arbeidsrelaties betreft, stelt de wetgever uitdrukkelijk dat deze buiten het toepassingsgebied van de wet vallen. De ratio legis hierachter plaatst de wetgever in het feit dat bij veel kleinere bedrijven, waar een deel van de familie in het bedrijf werkt onder een zelfstandigenstatuut, deze arbeidsrelaties geen problemen opleveren voor betalingen en sociale zekerheid. Tot slot: in de praktijk zal weliswaar het risico bestaan dat de sociale inspectie deze negen criteria niet alleen zal hanteren voor de vier in de wet geviseerde sectoren, maar het ongenuanceerd t.o.v. alle sectoren zal toepassen. De ‘de facto’-draagwijdte van deze wetgeving is aldus nog onzeker, maar vermoed wordt dat deze mogelijk een ruimer toepassingsgebied zal kennen dan oorspronkelijk door de wetgever beoogd werd.