Overslaan naar inhoud

Rechtstreekse vordering onderaannemers ook in derde, vierde graad

26 februari 2012

In een vorige nieuwsbrief meldden wij dat het Hof van Beroep te Luik bij arrest van 21 februari 2011 de volgende prejudiciële vraag had gesteld aan het Grondwettelijk Hof :  

“Schendt artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 19 februari 1990, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien het in die zin moet worden geïnterpreteerd dat het een rechtstreekse vordering enkel toekent aan de onderaannemer in de eerste graad ten aanzien van de bouwheer en aan de onderaannemer in de tweede graad ten aanzien van de hoofdaannemer, en niet aan de onderaannemers in de derde graad en verder?”  

Artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek verleent aan de onbetaalde onderaannemer een rechtstreekse vordering op de opdrachtgever van de hoofdaannemer : Art. 1798 B.W. :

“Metselaars, timmerlieden, arbeiders, vaklui en onderaannemers gebezigd bij het oprichten van een gebouw of voor andere werken die bij aanneming zijn uitgevoerd, hebben tegen de bouwheer een rechtstreekse vordering ten belope van hetgeen deze aan de aannemer verschuldigd is op het ogenblik dat hun rechtsvordering wordt ingesteld. De onderaannemer wordt als aannemer en de aannemer als bouwheer beschouwd ten opzichte van de eigen onderaannemers van de eerstgenoemde.”

De onderaannemer kan deze rechtstreekse vordering (enkel) stellen tot beloop van de schuldvorderingen die verband houden met de werken op de bouwplaats die door de bouwheer aan de hoofdaannemer en vervolgens door deze hoofdaannemer aan de onderaannemer werden toegewezen. (1) Het voorwerp van de rechtstreekse vordering betreft vervolgens alle schuldvorderingen die de hoofdaannemer put uit zijn overeenkomst met de bouwheer met betrekking tot het bedoelde werk. (2) Bij arrest van 2 februari 2012 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat ook onderaannemers in derde, vierde, etc. graad een rechtstreekse vordering hebben tegen de respectievelijke schuldenaars van hun schuldenaars. (3) Wij benadrukken evenwel dat enkel de onderaannemer in eerste graad een rechtstreekse vordering heeft ten aanzien van de bouwheer: de onderaannemers in tweede, derde, vierde, etc. graad hebben slechts een rechtstreekse vordering tegen resp. de hoofdaannemer, de onderaannemer in eerste graad, de onderaannemer in tweede graad, etc. Het Hof herhaalt hiervoor dat de rechtstreekse vordering de bescherming van de onderaannemer nastreeft omdat de wetgever heeft geoordeeld dat hij, als partij die vanuit economisch en financieel oogpunt als de zwakste en als het eerste slachtoffer van een faillissement van de aannemer wordt beschouwd, een bijzondere bescherming verdiende. Hoewel de letterlijke en strikte lezing van het artikel ertoe zou leiden dat enkel de onderaannemers in eerste en tweede graad een rechtstreekse vordering zouden hebben en niet de onderaannemers in derde en verdere graden, overweegt het Hof dat niets erop wijst dat de wetgever het voordeel van die bescherming heeft willen beperken tot de onderaannemers in de eerste en de tweede graad. Het druist in tegen dat doel om het voordeel van de rechtstreekse vordering te ontzeggen aan de onderaannemers verder dan in de tweede graad. Het verschil tussen de onderaannemers kan volgens het Hof niet redelijk worden verantwoord. Dit zou in strijd zijn met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Het Hof merkt op dat artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek ook in die zin kan worden geïnterpreteerd dat het de rechtstreekse vordering toekent aan alle onderaannemers ten aanzien van de schuldenaar van hun schuldenaar, los van hun graad in de keten van onderaanneming. Het gebruik van de begrippen « onderaannemer », « aannemer » en « bouwheer » in het artikel diende aldus voornamelijk om het mechanisme van de rechtstreekse vordering te willen toelichten. Het kan in die zin worden geïnterpreteerd dat het de regeling uitsluit waarin alle onderaannemers een rechtstreekse vordering ten aanzien van de bouwheer zouden genieten. In die zin geïnterpreteerd dat het de rechtstreekse vordering toekent aan alle onderaannemers ten aanzien van de schuldenaar van hun schuldenaar, schendt artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek aldus het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel niet. (1) Cass. 21 december 2001, Arr. Cass. 2001, 2277, concl. DE RIEMAECKER, DAOR 2002, 263, noot P. WERY, Pas. 2001, 2207, concl. DE RIEMAECKER, RCJB 2005, 415, noot M. GREGOIRE, Res Jur.Imm. 2002, 59 en TBH 2002, 443, noot W. DERIJCKE. Contra : Brussel 19 december 2002, Res Jur.Imm. 2003, 138 : “l’ action directe concerne toute créance généralement quelconque que le sous-traitant peut faire valoir envers l’entrepreneur principal.” (2) Cass. 29 oktober 2004, Arr. Cass. 2004, 1720, Pas. 2004, 1697, RW 2005-06, 59, noot M. DEBUCQUOY, TBBR 2005, 10, 642 en TBH 2005, 1015, noot W. DERIJCKE; Gent 5 maart 2007, T. Aann. 2009, 31, noot B. VAN LIERDE. (3) Grondwettelijk Hof 2 februari 2012, nr. 12/2012.

Deel deze post
Archief