Het Hof van Beroep te Luik heeft bij arrest van 21 februari 2011 inzake de vennootschap naar Roemeens recht Gabro Job Center SRL SC tegen BVBA J.Y.C Concept e.a. de volgende prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof : “Schendt artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 19 februari 1990, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien het in die zin moet worden geïnterpreteerd dat het een rechtstreekse vordering enkel toekent aan de onderaannemer in de eerste graad ten aanzien van de bouwheer en aan de onderaannemer in de tweede graad ten aanzien van de hoofdaannemer, en niet aan de onderaannemers in de derde graad en verder?” Artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek verleent aan de onbetaalde onderaannemer een rechtstreekse vordering op de opdrachtgever van de hoofdaannemer : Art. 1798 B.W. : “Metselaars, timmerlieden, arbeiders, vaklui en onderaannemers gebezigd bij het oprichten van een gebouw of voor andere werken die bij aanneming zijn uitgevoerd, hebben tegen de bouwheer een rechtstreekse vordering ten belope van hetgeen deze aan de aannemer verschuldigd is op het ogenblik dat hun rechtsvordering wordt ingesteld. De onderaannemer wordt als aannemer en de aannemer als bouwheer beschouwd ten opzichte van de eigen onderaannemers van de eerstgenoemde.” De onderaannemer kan deze rechtstreekse vordering (enkel) stellen tot beloop van de schuldvorderingen die verband houden met de werken op de bouwplaats die door de bouwheer aan de hoofdaannemer en vervolgens door deze hoofdaannemer aan de onderaannemer werden toegewezen.(1) Het voorwerp van de rechtstreekse vordering betreft vervolgens alle schuldvorderingen die de hoofdaannemer put uit zijn overeenkomst met de bouwheer met betrekking tot het bedoelde werk. (2) Met betrekking tot de rechtstreekse vordering heeft het Grondwettelijk Hof heeft bij het beantwoorden van een prejudiciële vraag reeds eerder bevestigd dat de wetgever aan de bouwheer geen rechtstreekse vordering toekent op de onderaannemer.(3) Het Hof oordeelde dat dit niet zou kunnen worden geënt op de rechtstreekse vordering van de onderaannemer op basis van art. 1798 B.W. aangezien dit artikel afwijkt van het gemene recht en aldus niet extensief zou kunnen worden uitgelegd. Aangezien de wetgever aan de onderaannemer een bescherming heeft willen bieden voor zijn afhankelijkheid van de hoofdaannemer als bijzondere economische positie, oordeelde het Grondwettelijk Hof dat er geen discriminatie zou bestaan omdat de bouwheer niet over een rechtstreekse vordering zou beschikken tegen de onderaannemer. Het Grondwettelijk Hof zal zich thans moeten uitspreken of dit artikel aldus moet worden geïnterpreteerd dat de onderaannemer in derde graad geen rechtstreekse vordering kan uitoefenen tegen de onderaannemer in eerste graad, en of dit een discriminatie zou uitmaken (zie het schema met onderstaande link). (1) Cass. 21 december 2001, Arr. Cass. 2001, 2277, concl. DE RIEMAECKER, DAOR 2002, 263, noot P. WERY, Pas. 2001, 2207, concl. DE RIEMAECKER, RCJB 2005, 415, noot M. GREGOIRE, Res Jur.Imm. 2002, 59 en TBH 2002, 443, noot W. DERIJCKE. Contra : Brussel 19 december 2002, Res Jur.Imm. 2003, 138 : “l’ action directe concerne toute créance généralement quelconque que le sous-traitant peut faire valoir envers l’entrepreneur principal.” (2) Cass. 29 oktober 2004, Arr. Cass. 2004, 1720, Pas. 2004, 1697, RW 2005-06, 59, noot M. DEBUCQUOY, TBBR 2005, 10, 642 en TBH 2005, 1015, noot W. DERIJCKE; Gent 5 maart 2007, T. Aann. 2009, 31, noot B. VAN LIERDE. (3) Arbitragehof 28 juni 2006, nr. 111/2006, AA 2006, 1335, BS 15 september 2006 (uittreksel), 47132, JLMB 2007, 184, noot E. MONTERO, RABG 2007, 583, noot F. BURSSENS, TBBR 2007, 287, noot O. JAUNIAUX, en TBO 2006, 155, noot K. UYTTERHOEVEN; eerder ook: Gent 18 juni 2004, TBO 2004, 238.