Op 12 mei 2017 keurde de ministerraad op voorstel van minister van Financiën Johan Van Overtveldt een voorontwerp van wet goed dat de griffierechten hervormt.
Op 24 maart 2017 verscheen op onze website de nieuwsflash m.b.t. het arrest van het Grondwettelijk Hof van 9 februari 2017. Met voormeld arrest vernietigde het Grondwettelijk Hof de artikelen over de verhoging van de griffierechten waarbij de waarde van de vordering als criterium wordt gehanteerd (art. 3 t.e.m. 6 van de Wet van 28 april 2015 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen).
Het Grondwettelijk Hof meende, in navolging van het advies van de Raad van State, dat het criterium van de waarde van de vordering niet pertinent is ter verwezenlijking van de hoofddoelstelling van de wetgever om de rolrechten in verhouding te brengen met de werkingskosten van de rechtspraak.
Het Grondwettelijk Hof besloot om de gevolgen van de vernietigde artikelen te handhaven tot 31 augustus 2017 t.a.v. vorderingen die zijn ingesteld bij een rechtscollege tot die datum. Op die manier werd de wetgever de mogelijkheid geboden om de wetgeving in overeenstemming te brengen met het arrest van 9 februari 2017.
Het is in het licht van deze rechtspraak dat de ministerraad op voorstel van minister van Financiën Johan Van Overtveldt een voorontwerp van wet goedkeurt dat de griffierechten hervormt. Het voorontwerp wijzigt het Wetboek der registratie-, hypotheek en griffierechten door terug te keren naar het vorige systeem van rolrechten, waarbij de hoogte van de rolrechten in hoofdorde gekoppeld is aan het niveau van het gerecht waarbij het geding aanhangig wordt gemaakt.
De vernieuwingen in het voorontwerp ten opzichte van het stelsel van voor de Wet van 28 april 2015, zijn de volgende:
- binnen eenzelfde gerechtsniveau worden er geen onderscheiden tarieven meer bepaald naargelang de soort rol (algemene rol, register der verzoekschriften, register van de vorderingen in kort geding) waarop de inleidende akte moet worden ingeschreven;
- alle tarieven, zoals laatst vastgesteld bij Wet van 28 april 2015, worden aangepast in functie van het arrest van het Grondwettelijk Hof;
- het verlaagd tarief bij de vredegerechten en de rechtbank van koophandel blijft afgeschaft maar het bedrag voor de vredegerechten en voor de politierechtbanken wordt verhoudingsgewijs minder verhoogd;
- het expeditierecht op de afgifte van de eerste uitvoerbare uitgifte van een vonnis of arrest komt te vervallen maar het blijft behouden wanneer de partijen aan de voorzitter van de bevoegde rechtbank de afgifte van een tweede uitvoerbare afgifte vragen;
- de invoering van een vrijstelling voor de inschrijving van zaken die ingeleid worden in het kader van de Faillissementswet van 8 augustus 1997.
Het voorontwerp wordt voor advies aan de Raad van State overgemaakt.
Voor meer informatie over dit onderwerp kan u steeds terecht bij Siegfried Busscher en Eva Zaman.