In onze nieuwsbrief van 21 november 2014 berichtten wij al over de hervorming van het pandrecht[1].
Met de invoering van de nieuwe Pandwet had de wetgever ook de rechtstreekse vordering en het voorrecht van de onderaannemer beperkt aangepast[2]. De Wet van 11 juli 2013 voerde een consignatiemogelijkheid in voor het geval van betwisting tussen een onderaannemer en aannemer. Door art. 91 van deze wet wordt in de Hypotheekwet uitdrukkelijk opgenomen dat de rechtstreekse vordering niet meer kan worden ingesteld na het ontstaan van de samenloop. De beperking van het voorrecht van de onderaannemer tot vorderingen wegens werken die hij "aan het gebouw van de bouwheer" heeft uitgevoerd of laten uitvoeren, wordt geschrapt in art. 20, 12° van de Hypotheekwet. Er wordt ook uitdrukkelijk vermeld dat het voorrecht van de onderaannemer voorgaat op de pandhouder.
In een volgende nieuwsbrief van 22 juli 2016 kondigden wij aan dat de ministerraad op 15 juli 2016 een voorontwerp van wet had goedgekeurd dat verschillende bepalingen wijzigt over de zakelijke zekerheden op roerende goederen.
Daarom werd de inwerkingtreding van deze wet en ook de nieuwe regelgeving m.b.t. de rechtstreekse vordering van de onderaannemer en het voorrecht van de onderaannemer, een tweede keer mee uitgesteld naar ten laatste 1 januari 2018.
Dit uitstel naar "een door de Koning te bepalen datum doch uiterlijk 1 januari 2018", gebeurde intussen op de valreep bij Wet van 25 december 2016 [3]. Deze wijzigingswet van 25 december 2016 en het daarin geregelde uitstel, zouden in werking treden op de dag van de inwerkingtreding van de Wet van 11 juli 2013 (art. 70), dus ten laatste op 1 januari 2017.
We geven nog mee dat het uitstel van de inwerkingtreding van deze wet inderdaad op de valreep gebeurde. De Wet van 25 december 2016 voor dit uitstel werd op de laatste werkdag van 2016 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Het lijkt wat paradoxaal dat deze wijzigingswet in werking treedt op de dag van de inwerkingtreding van de andere wet die ze niet enkel wijzigt maar ook uitstelt. Met de theoretische inwerkingtreding van de Wet van 11 juli 2013 op 1 januari 2017, trad dus ook deze wijzigingswet van 25 december 2016 in werking, met hierbij eveneens de inwerkingtreding van de wijziging van het artikel in de Wet van 11 juli 2013 dat… deze inwerkingtreding opnieuw uitstelt naar een door de federale regering te bepalen datum en ten laatste 1 januari 2018. Men kan zich de vraag stellen of het wel mogelijk is dat de Wet van 11 juli 2013 met o.a. de consignatiemogelijkheid voor de rechtstreekse vordering van de onderaannemer, op 1 januari 2017 theoretisch van kracht kwam en vervolgens zichzelf toch uitstelde en of een in werking getreden wet wel opnieuw uitgesteld kan worden. Hoewel deze vraag theoretisch lijkt, kan deze van belang zijn voor de (onder)aannemers en bouwheren die zich al op de mogelijkheid tot consignatie willen beroepen.
[1]N.a.v. de Wet van 11 juli 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter zake, BS 2 augustus 2013; een eerste keer uitgesteld met de wijzigingswet van 26 november 2014, BS 1 december 2014.
[2]Zie ook T. REYNTIENS en S. BUSSCHER, "Kanttekeningen bij de invoering van de Nieuwe Pandwet: ook de rechtstreekse vordering en het voorrecht van de onderaannemer worden gewijzigd", TBO 2015, 178-179.
[3]Wet van 25 december 2016 houdende de wijziging van verscheidene bepalingen betreffende de zakelijke zekerheden op roerende goederen, BS 30 december 2016.
Voor meer informatie over dit specifieke onderwerp, kunt u Ewoud Willaert en Siegfried Busscher (de auteurs) raadplegen.