Minister van Justitie Koen Geens plant met zijn nota van 6 december 2016 ("Sprong naar het recht voor morgen – hercodificatie van de basiswetgeving") een grondige hervorming van het ondernemingsrecht, het burgerlijk recht en het strafrecht. Ons kantoor volgt de ontwikkelingen in de twee eerste domeinen op de voet.
In deze nieuwsbrief staan we stil bij het vennootschapsrecht.
Er zijn verschillende drijfveren om ons vennootschapsrecht nu te hervormen. Zo wordt er al jaren voor gepleit dat het vennootschapsrecht moet worden vereenvoudigd. Beginnende ondernemingen hebben nu bv. de keuze uit meer dan tien vennootschapsvormen naar Belgisch recht en drie vennootschappen naar Europees recht. De voorzichtige ondernemer die daaruit kiest voor de beperkte aansprakelijkheid van een (kleine) BVBA, haalt zich daarmee echter kapitaalregels op de hals die eigenlijk geschreven zijn voor een grote NV.
Daarbij komt dat door de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie, vennootschappen zich steeds vrijer verplaatsen doorheen Europa. Daardoor kozen heel wat Europese beginnende ondernemers de afgelopen jaren o.a. voor limited liability partnerships onder het recht van het Verenigd Koninkrijk. Dit verschijnsel zette andere Europese landen dan weer aan om meer toegankelijke vennootschapsvormen te creëren (bijvoorbeeld de Flex-BV in Nederland). België hinkte in deze competitie voor meest concurrentiële vennootschapsrecht achterop.
In de hervorming van het vennootschapsrecht zijn de kerngedachten nu dan ook "vereenvoudiging" en "flexibilisering".
Het aspect "vereenvoudiging" uit zich bijvoorbeeld in het einde van de opdeling tussen vennootschappen en verenigingen in twee wetboeken, en het einde van het verschil tussen burgerlijke vennootschappen en handelsvennootschappen. Dit sluit o.a. bij de ruimere tendens waar ook verenigingen zich bezighouden met economische activiteiten.
De vereenvoudiging die het meest in het oog springt, is de geplande afschaffing van een aantal vennootschapsvormen. Uiteindelijk doel is om nog maar vier (nationale) vennootschapsvormen over te houden (naast de bestaande Europese vormen, waar de Belgische wetgever niet aan kan raken):
- de maatschap, als enige vennootschapsvorm met onbeperkte aansprakelijkheid;
- de BVBA, als standaardvorm voor samenwerkingen met beperkte aansprakelijkheid;
- de CVBA, als vennootschapsvorm voor vennootschappen met een coöperatief ideaal; en
- de NV, als vennootschapsvorm voorbehouden voor grote en beursgenoteerde bedrijven.
O.a. om in die vier vennootschapsvormen toch alle bestaande manieren van samenwerken onder te brengen, is de tegenhanger van deze vereenvoudiging een doorgedreven flexibilisering.
De maatschap, de enige resterende personenvennootschap, zal bv. tijdelijk (zoals een THV) of stil (zoals een stille vennootschap) kunnen zijn. Ook zouden sommige vennoten hun aansprakelijkheid er kunnen beperken (zoals in een Comm.V.).
Een andere uiting van de flexibilisering, is dat de wet de Europese evolutie zou volgen waarin alle vennootschappen meer mobiel worden, voornamelijk door het toepasselijk vennootschapsrecht afhankelijk te maken van de statutaire zetel (vrij te kiezen door de vennootschap) in plaats van de 'werkelijke zetel' (objectief afhankelijk van het centrum van de belangen van de vennootschap).
De praktisch meest relevante flexibilisering, is ongetwijfeld de creatie van een "nieuwe" BVBA. Doordat de NV gereserveerd wordt voor echt grote ondernemingen[i], zou de BVBA de vrij algemeen toegepaste standaard moeten worden. De huidige BVBA is daar echter niet voor geschikt.
Onder het nieuwe recht, zouden BVBA's daarom nog in weinig te vergelijken zijn met wat we nu als BVBA kennen. Concreet zou er geen vennootschapskapitaal meer bestaan; zouden alle aandelen vrij overdraagbaar kunnen worden gemaakt; zouden aandeelhouders vlot(ter) kunnen toe- en uittreden; en zou de samenstelling van en besluitvorming door het bestuur vrij te regelen zijn.
Vooral het afschaffen van het vennootschapskapitaal is buitengewoon ingrijpend. Deze afschaffing veronderstelt dat alle regels rond kapitaal (inbreng, kapitaalverhoging en kapitaalvermindering, schuldeisersbescherming, aandelencreatie, winstverdeling enz.) worden herdacht én doet de vraag rijzen wat daarvoor in de plaats komt. Doordat de evenwichten na de hervorming niet meer in dwingende regels worden gedicteerd, maar worden toevertrouwd aan aandeelhouders en bestuurders, suggereren verschillende bronnen een zwaardere nadruk op de aansprakelijkheid van de betrokken actoren (oprichters, aandeelhouders en bestuurders).
Hoe de overgang naar dit nieuw vennootschapsrecht vorm zou krijgen, is op dit moment nog erg onduidelijk. Helder is wel dat, éénmaal de nieuwe regels er zijn, dit voor veel betrokkenen een reden (of excuus?) zal zijn om de bestaande afspraken in vraag te stellen.
De ontwerpen van wetteksten zijn aangekondigd voor het voorjaar 2017, verwacht rond februari. Wordt dan ongetwijfeld vervolgd.
Onze nieuwsbrief over de hercodificatie van het zakenrecht en verbintenissenrecht, vindt u hier.
[i] Bedragen die momenteel circuleren zijn: 250 werknemers; balanstotaal van meer dan 43 miljoen euro; netto jaaromzet van meer dan 50 miljoen euro.
Voor meer informatie over dit specifieke onderwerp, kan u Christine Heeb, Joost Van Riel (auteurs) en Gwen Bevers (celhoofd) raadplegen.