Overslaan naar inhoud

Strijd tegen fictieve aansluitingen in het zelfstandigenstatuut

11 oktober 2016

Het gebeurt regelmatig dat niet-Belgen uit de Europese Unie zich fictief als zelfstandige vestigen in België, om zo een verblijfsrecht van meer dan drie maanden te krijgen en aanspraak te kunnen maken op diverse sociale uitkeringen.

Om deze vorm van sociale fraude aan te pakken, traden op 1 juli 2016 een aantal nieuwe maatregelen in werking, die werden opgenomen in het Koninklijk Besluit nr. 38 van 27 juli 1967.

Wij lichten hierna kort de verschillende maatregelen toe.

1.        Herziening constitutief element

Het constitutieve element van de inbreuk inzake fictieve aansluiting is niet meer “die geen hoofdverblijfplaats in België heeft in de zin van de wet 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen”, maar wel het gebruik van een attest van aansluiting bij een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen om een verblijfstitel van langer dan drie maanden te bekomen. In de Memorie van Toelichting bij de Programmawet wordt toegelicht dat het vorige criterium niet adequaat genoeg was om fraude tegen te gaan.

2.        Uitbreiding hoofdelijke aansprakelijkheid

De hoofdelijke aansprakelijkheid voor de betaling van de administratieve geldboete (tweemaal het bedrag van de voorlopige kwartaalbijdrage) werd uitgebreid tot elke natuurlijke persoon die valselijk heeft verklaard door de pleger van de inbreuk geholpen te zijn geweest. Tot voor kort bestond de hoofdelijke aansprakelijkheid enkel in hoofde van de rechtspersoon waarvan de zelfstandige vennoot of fictief mandataris is.

3.        Aansluiten als zelfstandige vóór de start van de activiteit

Sedert 1 juli 2016 moet de aansluiting bij een sociaal verzekeringsfonds gebeuren alvorens de zelfstandige activiteit aan te vatten. Het gebeurde blijkbaar vaak dat zelfstandigen bij controles van de inspectiediensten opwierpen dat zij pas diezelfde dag waren begonnen als zelfstandige en later die dag hun aansluiting zouden in orde brengen.

4.        Nieuwe regels inzake verjaring

Ook werden de regels inzake verjaring aangepast. In navolging van het Sociaal Strafwetboek wordt nu een onderscheid gemaakt tussen de beslissing die de administratieve boete bepaalt (vijf jaar vanaf het plegen van de inbreuk) en de inning van  de administratieve boete (vijf jaar vanaf de dag waarop de beslissing van de bevoegde administratie om de boete op te leggen niet meer vatbaar is voor hoger beroep).

5.        Efficiëntere inning

De wetswijzing voorziet dat elke betaling die wordt verricht na het opeisen van de boete door het sociaal verzekeringsfonds, prioritair moet worden aangewend voor de betaling van die boete. Daarnaast wordt het voorrecht op de roerende goederen waarover de sociale verzekeringsfondsen reeds beschikken voor de inning van de sociale bijdragen, uitgebreid naar de administratieve geldboeten (Wet 16 december 1851 m.b.t. voorrechten en hypotheken).

Voor meer info over dit specifieke onderwerp, kan u Sébastien van Damme (auteur) en Sara Cockx (auteur en celhoofd) raadplegen.

Deel deze post
Labels
Archief