Overslaan naar inhoud

Federale Regering sluit fel gecontesteerde overeenkomst met Electrabel omtrent de verlenging tot 2025 van de exploitatie van de kernreactoren Doel 1 en 2

2 december 2015

De wet van 28 juni 2015 tot wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie met het oog op het verzekeren van de bevoorradingszekerheid op het gebied van energie (B.S. 6 juli 2015) voorzag in een mogelijke verlenging van de exploitatie van de Belgische kerncentrales.

Wat de centrales Doel 1 en 2 betrof, werd in deze wet een mogelijke verlenging voorzien tot resp. 15 februari en 1 december 2025. Artikel 4, § 3 van de betreffende wet voorzag wel dat deze deadline enkel zou gelden indien de Federale Staat een overeenkomst zou kunnen sluiten met Electrabel omtrent de berekeningswijze van de jaarlijkse vergoeding (vaak genoemd als de “nucleaire rente” of “taks”) en de schadeloosstelling indien één der partijen haar verbintenissen niet zou nakomen, en dit uiterlijk op 30 november 2015. Indien dergelijke overeenkomst niet of niet tijdig zou kunnen worden gesloten, zou bij Koninklijk Besluit de verplichte sluiting van Doel 1 en Doel 2 worden vervroegd tot 31 maart 2016.

De Federale Regering maakte in een persbericht bekend dat op de valreep, nl. op 30 november 2015, de voormelde overeenkomst met Electrabel kon worden bereikt en dat aldus de kerncentrales van Doel 1 en Doel 2 open kunnen blijven tot 2025.

Verscheidene milieubewegingen waaronder Greenpeace en verscheidene actoren  uit de energiesector lieten zich reeds kritisch uit over de beslissing van de Federale Regering en de overeenkomst en stelden juridische actiemogelijkheden te zullen onderzoeken.

Een mogelijk belangrijk argument in zulke juridische acties zou kunnen zijn dat in het kader van de totstandkoming van de wet en de voormelde besluitvorming geen publieke consultatie werd georganiseerd en geen project-milieueffectenrapport werd opgemaakt, waardoor de voormelde wet, overeenkomst en het besluit van de Federale Regering tot het langer openstellen van de kerncentrales mogelijk in strijd zijn met de Europese project-MER Richtlijn en de Vlaamse omzettingswetgeving ervan, gebeurlijk samen gelezen met het grondwettelijke gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel. Deze wetgeving raakt de openbare orde.

“Kerncentrales en andere kernreactoren, met inbegrip van de ontmanteling of buitengebruikstelling van dergelijke centrales of reactoren” zijn opgenomen in Bijlage I van de Project-MER Richtlijn 2011/92/EUR en ook besluitvorming, betrekking hebbend op de verlenging van zulke centrales of reactoren veronderstelt in beginsel de verplichte opmaak van een project-MER, met publieke inspraakmogelijkheid. Ook de Raad van State afdeling wetgeving merkte dit op in een kritisch advies gedurende de wetgevingsprocedure.

De termijn van zes maanden om de wet dd. 28 juni 2015 eventueel aan te vechten bij het Grondwettelijk Hof loopt nog. Andere denkbare actiemogelijkheden zijn procedures bij de burgerlijke rechter, gericht tegen deze overeenkomst en bij de Raad van State afdeling Bestuursrechtspraak, gericht tegen de (mogelijks van de overeenkomst afsplitsbare) beslissing van de Federale Regering tot verlenging van de levensduur van de kerncentrales bij de Raad van State afdeling Bestuursrechtspraak.

Voor meer informatie over dit specifieke onderwerp kan u Kristof Hectors (kristof.hectors@schoups.be) en Gwen Bevers (gwen.bevers@schoups.be) (auteurs) raadplegen.

Deel deze post
Archief