Is de handelsagentuurovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, dan heeft iedere partij het recht om te beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn (art. X.16,§1, lid 1 WER). Die opzegtermijn bedraagt minstens één maand voor elk begonnen jaar zonder dat deze zes maanden mag te boven gaan. De partijen mogen geen kortere opzeggingstermijnen overeenkomen. (art. X.16,§1, lid 2 WER) De partij die beëindigt zonder deze opzeggingstermijn of een wettige reden, moet een opzeggingsvergoeding betalen die gelijk is aan de gebruikelijke vergoeding en overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn. (art. X.16,§1, lid 2 WER)
Na de “beëindiging” (FR: ‘cessation’) kan de handelsagent onder bepaalde gevallen recht hebben op een uitwinningvergoeding wanneer hij nieuwe klanten heeft aangebracht of de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk uitgebreid (art. X.18 WER), en op een bijkomende schadevergoeding (art. X.19 WER). Luidens artikel X.21 WER, mogen partijen hiervan niet afwijken ten nadele van de handelsagent “voordat de handelsagentuur is beëindigd” (FR: “avant l'échéance du contrat d'agence commerciale”).
Het ene en het andere zijn een omzetting van de Europese Agentuurrichtlijn (86/653/EEG), met dien verstande de Agentuurrichtlijn geen specifieke bepaling bevat over de opzeggingsvergoeding, anders dan de wat enigmatische toevoeging dat de toekenning van de (uitwinnings- of klanten)vergoeding “het recht van de handelsagent om schadevergoeding te vorderen onverlet” laat (art. 17, c Agentuurrichtlijn).
De vraag is dan wanneer de handelsagentuurovereenkomst is “beëindigd” en wanneer partijen rechtsgeldig een (globale) overeenkomst kunnen sluiten over de praktische afwikkeling van hun samenwerking? Eenmaal de beslissing definitief werd genomen, kunnen partijen er immers belang bij hebben om onverwijld (bindende) afspraken te maken over, bijvoorbeeld, de (gezamenlijke) communicatie, de afhandeling van lopende projecten, de overname van personeel of activa, de (terug)betaling van kredieten, de overgang van cliënteel naar een nieuwe principaal, e.d. Dat valt dan moeilijk los te zien van afspraken over de duur van de opzegtermijn en de (begroting van) de opzeg- en uitwinningsvergoeding.
In de Belgische rechtsleer wordt tamelijk algemeen aangenomen dat het recht op een opzeggingsvergoeding ontstaat op het ogenblik van de (redelijkerwijze mogelijkheid tot) kennisname van de opzegging. Vanaf dat ogenblik kunnen partijen een overeenkomst sluiten, ook al eindigt de samenwerking pas later, na het verstrijken van de opzeggingstermijn. Heel wat auteurs en een belangrijk deel van de rechtspraak trekken dit door naar de uitwinningsvergoeding. De opzegging door de principaal is immers onherroepelijk en kan (dus) als het moment van ‘beëindiging’ worden beschouwd. Niettemin laat met name de Franstalige wettekst (“écheance”) hier meer ruimte voor twijfel. De verschillende taalversies van de Agentuurrichtlijn bieden evenmin definitief uitsluitsel.
Recent werd het Hof van Cassatie geroepen om deze discussie te beslechten. Concrete aanleiding was een zaak waarin een aantal met elkaar verbonden (bank)agenten enerzijds en een bank-principaal anderzijds, een aantal praktische en financiële afspraken hadden gemaakt, waaronder over de omvang van de uitwinnings- en opzeggingsvergoeding. Op dat moment waren alle agentuurovereenkomsten weliswaar opgezegd door de principaal, maar de verschillende opzegtermijnen nog niet allemaal verstreken. Bijna een jaar later stelden de agenten een vordering tot nietigverklaring in. In eerste aanleg besliste de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank te Brussel tot afwijzing nu partijen hun contractuele vrijheid herwinnen vanaf ‘beëindiging’ (i.e. ‘opzegging’). Het Hof van Beroep te Brussel bevestigde deze beoordeling (“De partijen kunnen derhalve afspraken maken over de eventuele verschuldigde opzegvergoeding, uitwinningsvergoeding en bijkomende schadeloosstelling, eens vaststaat dat de handelsagentuur een einde zal nemen, zelfs al is dit op een latere datum.”), en voegde hier nog aan toe dat de enige nietigheid in ieder geval werd “gedekt door de bevestiging van het door de partijen gesloten akkoord, nadat de agentschapsovereenkomsten effectief een einde hadden genomen”. Mede gelet op die laatste vaststelling achtte het hof het “niet dienstig om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie”.
In zijn arrest van 28 februari 2025 heeft het Hof van Cassatie (niettemin) beslist om de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie: “Dient de handelsagentuurovereenkomst als beëindigd beschouwd te worden in de zin van artikel 15.2 en 19 van de Richtlijn 86/633/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten, op het ogenblik van de effectieve stopzetting van de handelsagentuurovereenkomst, dus na het verstrijken van de opzeggingstermijn, dan wel op het ogenblik dat de handelsagent kennis neemt of redelijkerwijze kennis kon nemen van de opzegging van de handelsagentuurovereenkomst?”
Wordt vervolgd.