De kwestie van het al dan niet in aanmerking nemen van de vetusteit bij het beoordelen van schadevergoedingen heeft altijd al aanleiding gegeven tot hevige debatten. Enerzijds zou een vermindering omwille van slijtage van een goed kunnen betekenen dat het slachtoffer onvoldoende vergoed wordt. Anderzijds zou het niet in aanmerking nemen van de vetusteit tot een verrijking zonder oorzaak kunnen leiden. De rechtspraak van het Hof van Cassatie ten aanzien van deze problematiek is in de loop der jaren aanzienlijk geëvolueerd. Onlangs nog heeft het Hof zich over dit onderwerp uitgesproken in een arrest van 27 juni 2024. De inwerkingtreding van Boek VI van het Burgerlijk Wetboek zou deze rechtspraak echter op losse schroeven kunnen zetten.
1. De evolutie van de rechtspraak van het Hof van Cassatie en het arrest van 27 juni 2024
Na een periode van onzekerheid die gekenmerkt werd door uiteenlopende beslissingen van feitenrechters, poneerde het Hof van Cassatie, in een arrest van 11 februari 2016, voor de eerste maal een algemeen beginsel van vergoedingsaftrek wegens vetusteit.[1] Het Hof redeneerde dat de benadeelde recht heeft op de schadevergoeding bepaald op ‘de vervangingswaarde’ die gelijk is aan de werkelijke waarde van de vernielde zaak.
Op deze rechtspraak kwam echter heel wat kritiek en in haar arrest van 17 september 2020 maakte het Hof een bocht van 180° en bracht het een belangrijke ommekeer in de rechtspraak teweeg.[2] In dit arrest oordeelde het Hof dat de benadeelde het bedrag kan vorderen dat nodig is om de beschadigde zaak te laten herstellen, zonder dat dit bedrag kan worden verminderd wegens vetusteit van deze zaak. Het Hof bevestigde dit standpunt daarna in haararrest van 2 maart 2022.[3]
Recentelijk heeft het Hof van Cassatie zich opnieuw gebogen over de kwestie van de vetusteit. In een arrest van 24 juni 2024 bevestigt het Hof van Cassatie niet enkel haar standpunt maar preciseert het ook de draagwijdte ervan. Het Hof verduidelijkt meer bepaald dat het slachtoffer recht heeft op het bedrag dat noodzakelijk is om de beschadigde zaak te laten herstellen of te vervangen, in de regel zonder dat dit bedrag verminderd mag worden wegens de vetusteit. Uit dit arrest vloeit voort dat er geen enkel onderscheid gemaakt mag worden voor wat betreft de vetusteitsaftrek tussen het geval waarbij het goed hersteld kan worden en het geval waarbij de zaak vervangen moet worden.
Terwijl er voorheen onenigheid bestond over de vraag of het Hof van Cassatie de vetusteitsaftrek enkel weigerde in geval van herstelling of ook in geval van vervanging van de beschadigde zaak lijkt deze discussie definitief beslecht te zijn door het arrest van 24 juni 2024. Door te preciseren dat het beginsel van de volledige schadeloosstelling zowel van toepassing is op de herstelling als op de vervanging legt het Hof een algemeen verbod op vetusteitsaftrek op.
2. De implicaties van Boek VI van het Burgerlijk Wetboek op de rechtspraak van het Hof van Cassatie
De kwestie van de vetusteitsaftrek is ook van belang voor artikel 6.38 van het Burgerlijk Wetboek dat betrekking heeft op de buitencontractuele aansprakelijkheid. Dit artikel dat op 1 januari 2025 in werking getreden is, regelt de schadevergoeding voor materiële schade. Uit de voorbereidende werken van dit artikel blijkt onder meer dat de wetgever een onderscheid wenst te maken tussen een situatie waarin een herstelling mogelijk is en één waarin geen herstelling mogelijk is.
Voor wat betreft de situatie waarin de beschadigde zaak hersteld kan worden, bepaalt de wet dat « de benadeelde recht heeft op vergoeding van de kosten van het herstel ». Indien deze kosten evenwel hoger zijn dan de kosten van vervanging van de zaak door een zaak met dezelfde kenmerken, is de vergoeding beperkt tot het bedrag van deze laatste. Afgezien van het bedrag van de herstellingskosten kan de benadeelde « ook aanspraak maken op de minderwaarde van de zaak indien de herstelling de zaak niet in de staat kan herstellen waarin deze zich bevond zonder de fout ». Volgens de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie wordt de vetusteit dus niet in aanmerking genomen om de herstellingskosten van de beschadigde zaak te bepalen.
Voor wat betreft de situatie waarin de beschadigde zaak niet hersteld kan worden, geeft de wet aan dat « de benadeelde recht heeft op het bedrag dat nodig is voor vervanging van de zaak door een zaak met dezelfde kenmerken ». Met deze bepaling heeft de wetgever willen voorzien dat men, om het bedrag van de vergoedingen in deze veronderstelling te bepalen, de vetusteit daadwerkelijk in aanmerking moet nemen. Volgens de voorbereidende werken heeft de wetgever zich uitdrukkelijk gebaseerd op het arrest van het Hof van Cassatie van 11 februari 2016 hierover.
3. Conclusie
De evolutie van de rechtspraak van het Hof van Cassatie in de richting van een zo goed als absoluut verbod op vetusteitsaftrek komt vandaag in botsing met de inwerkingtreding van Boek VI van het Burgerlijk Wetboek dat lijkt aan te geven dat er met vetusteit (enkel en alleen) rekening gehouden moet worden wanneer de zaak vervangen wordt. De voorbereidende werken tonen aan dat de wetgever zich hiervoor heeft laten inspireren door de rechtspraak van het Hof van Cassatie waar hij een onderscheid tussen de herstelling en de vervanging van de zaak gelezen heeft.
Het arrest van 27 juni 2024 toont echter aan dat een dergelijk onderscheid niet gemaakt wordt door het Hof van Cassatie. De vraag blijft: zal het Hof zijn verbod op vetusteitsaftrek behouden of zal het zich voegen naar de tekst van artikel 6.38 van het Burgerlijk Wetboek, vermits de wetgever vooral de intentie lijkt gehad te hebben om de rechtspraak van het Hof van Cassatie op te nemen? Deze onzekerheid opent de deur voor eventuele nieuwe wendingen in de rechtspraak.
[1] Cass. 11 februari 2016, C.15.0031.N.
[2] Cass. 17 september 2020, C.18.0294.F-C.18.0611.F.
[3] Cass. 2 maart 2022, P.21.1030.F.