Het sociale voorrangsbeleid in het Vlaams decreet ‘Wonen in Eigen Streek’ sneuvelt gedeeltelijk voor het Grondwettelijk Hof. Door enkel rekening te houden met inwoners uit Vlaanderen (en niet uit aangrenzende gemeenten in Brussel of het Waalse Gewest) schendt het decreet het gelijkheidsbeginsel. De vraag of de financiële gemeentelijke tussenkomst als (onwettige) staatssteun geldt wordt nu voorgelegd aan het Europese Hof van Justitie.
In de gemeenten met de hoogste vastgoedprijzen bestaat er een zekere sociale nood om de bevolking op de lokale vastgoedmarkt te beschermen en sociale verdringing tegen te gaan door de verankering met de eigen streek te beschermen. In 2023 werd hiertoe het WIES-decreet goedgekeurd (‘Wonen In Eigen Streek’).[1] Dit decreet ondersteunt jonge, minder kapitaalkrachtige inwoners om in de eigen of aangrenzende gemeente toch een woning te kunnen aankopen.
Vlaamse WIES-gemeenten kunnen zo financieel tussenkomen in de aankoop dan wel de aangeduide WIES-gronden en -woningen zelf verwerven met een voorkooprecht. Dit ten voordele van burgers die lokale binding hebben met de WIES-gemeente.
Op 16 januari 2025 deed het Grondwettelijk Hof een (voorlopig eerste) uitspraak over de regeling. De regeling doorstaat grotendeels de grondwettigheidstoets: de sociale doelstelling om de zwakkere lokale bevolking te beschermen tegen sociale verdringing is volgens het Hof legitiem en de regeling is daarvoor geschikt en noodzakelijk. Wel zijn er drie essentiële elementen in het arrest aanwezig die een woordje extra uitleg verdienen:
De restrictie tot Vlaamse aangrenzende gemeenten: ongrondwettig
De regeling voorziet dat wie hiervan gebruik wil maken onder andere[2] een duidelijke band moet aantonen met de WIES-gemeente of met een aangrenzende gemeente daarvan in het Vlaams Gewest. Het Hof vernietigt deze voorwaarde in zoverre een inwoner van een aangrenzende Brusselse of Waalse gemeente wordt uitgesloten van de regeling. Die laatste kan namelijk eenzelfde lokale binding hebben met een Vlaamse WIES-(rand)gemeente als een inwoner uit een aangrenzende Vlaamse gemeente.
Onwettige staatssteun?
De financiële tussenkomst van de WIES-gemeente bij de aankoop van een WIES-grond of -woning zou nieuwe staatssteun kunnen uitmaken. In dat geval moest deze worden aangemeld bij de Europese Commissie. De Vlaamse Regering heeft dat opmerkelijk genoeg nagelaten. Het Grondwettelijk Hof bevraagt hierover nu het Europese Hof van Justitie met een prejudiciële vraag.
Retroactieve handhaving van de gevolgen?
Indien de regeling van financiële tussenkomst later ook zou sneuvelen, heeft het resterende deel van het WIES-decreet nefaste gevolgen:
Zonder financiële tussenkomst worden verkopers tijdelijk gedwongen om de WIES-woningen of -gronden te verkopen onder de marktprijs aan minder kapitaalkrachtige, lokale inwoners.
Indien er reeds financiële tussenkomst werd betaald, zou een vernietiging kunnen leiden tot terugvorderingen en dus rechtsonzekerheid als het Grondwettelijk Hof de gevolgen niet handhaaft. Ook over de mogelijkheid tot handhaving van de rechtsgevolgen wordt het Europese Hof van Justitie daarom bevraagd.[3]
Alvorens gebruik te maken van de WIES-regeling is voorzichtigheid voorlopig aangewezen. Er volgt namelijk nog een uitspraak van Europese Hof van Justitie en in navolging daarvan een tweede WIES-arrest van het Grondwettelijk Hof. Wordt vervolgd.
Onze collega’s van de cel Environmental en Real Estate volgen dit met stip op. U kan de auteurs Kristof Hectors en Pieter Mertens steeds contacteren voor vragen.
[1] In 2013 vernietigde het Grondwettelijk Hof al eens een voorloper van dit decreet onder impuls van het Europese Hof van Justitie (GwH 7 november 2013, nr. 144/2013 - HvJ (EU) 8 mei 2013, nrs. C-197/11 en C-203/11).
[2] Artikel 5 WIES-decreet: andere voorwaarden hebben betrekking op de tijdsperiode van inschrijving voorafgaand de aankoop alsook de inkomens- en vermogenstoestand van de kopers.
[3] Handhaving van gevolgen van nationale normen die moeten worden vernietigd wegens strijdigheid met EU-recht kan enkel onder de voorwaarden die door het Hof van Justitie in antwoord op een prejudiciële vraag worden vastgesteld.