Overslaan naar inhoud

Impact van het federale regeerakkoord op het Sociaal Recht

5 februari 2025

Vanuit de vakgroep Sociaal recht, vestigen we graag de aandacht op enkele interessante zaken in het federaal regeerakkoord.

Lonen en sociaal overleg

De regering maakt werk van een ambitieus activeringsbeleid. Het doel ervan is dat werken fors voordeliger wordt dan niet werken en ondernemen blijft lonen.

  • De regering voorziet een verlaging van de loonkost voor de lage- en middenlonen, via een plafonnering van de sociale werkgeversbijdragen.

  • De principes van de automatische indexering van de lonen en de loonnormwet worden behouden, mits enkele bijsturingen. Wel is gevraagd aan de sociale partners om tegen eind 2026 een advies uit te werken over de hervorming ervan. In afwachting van dit advies, wordt er gezorgd voor hogere minimumlonen. Concreet wordt het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen (GGMMI) in 2026 en 2028 telkens verhoogd met 35,00 EUR bruto, zonder dat dit tot een verhoging leidt van de loonkost voor werkgevers. De regering streeft hierbij de ambitie na om het minimumloon bij de hoogste van Europa te houden.

  • De wet van 2001 betreffende de werknemersparticipatie wordt gemoderniseerd en flexibeler gemaakt.

  • De sociale partners ontvangen de vraag om tegen 1 januari 2027 het aantal paritaire comités te verminderen, zodat het sociaal overleg moderniseert.

  • Vanaf 2026 zal het nettoloon van iedereen die werkt, verhogen. De regering streeft ernaar om het verschil tussen werken en niet-werken te laten evolueren naar een verschil van meer dan 500,00 EUR netto per maand. Dit gebeurt hoofdzakelijk via een verhoging van de belastingvrije som, een verlaging van de bijzonder bijdrage sociale zekerheid en een versterking van de sociale werkbonus. Voor de minimumlonen wordt gezorgd dat bruto gelijk is aan netto.

  • De regering wenst er door een fiscale hervorming voor te zorgen dat het opnieuw interessanter wordt om personeel te belonen in geld, eerder dan in voordelen in natura. De bestaande collectieve bonussystemen (CAO nr. 90 winstpremie,…) worden vereenvoudigd en het toepassingsgebied wordt meer geharmoniseerd, dit zonder een verhoging van de fiscale lasten, noch voor werkgevers noch voor werknemers.

  • Om de koopkracht te versterken, zal het wettelijk toegestane maximale bedrag van de maaltijdcheques tijdens de legislatuur twee keer met 2,00 EUR worden verhoogd (dus tot 12,00 EUR). De aftrekbaarheid van de werkgeverskost wordt dienovereenkomstig verhoogd. De bestedingsmogelijkheid voor de werknemers wordt uitgebreid. De andere bestaande cheque-systemen (bv. ecocheques, sport- en cultuurcheques) zullen uitdoven, om zo het aantal soorten cheques te reduceren.

  • Ook de uitgestelde koopkracht wordt versterkt d.m.v. van een werkgeversbijdrage van minstens 3% tegen 2035 aan het aanvullend pensioen.

  • Er wordt een wettelijke omkadering voorzien voor het systeem van flexibel verloning (bv. een cafetariaplan) en de brutoloonruil wordt beperkt tot maximum 20 % van het jaarlijkse brutoloon.

Activerende sociale zekerheid

De regering neemt enkele noodzakelijke beslissingen om de betaalbaarheid van onze sociale zekerheid te garanderen. Daarbij handelt de regering vanuit het principe van sociale rechtvaardigheid, met respect voor verworven rechten en empathie ten opzichte van de meest kwetsbaren in onze samenleving.

  • De RSZ-doelgroepverminderingen worden hervormd. Voor de 1ste werknemer blijft de bijdragevermindering 2.000,00 EUR per kwartaal en onbeperkt in tijd. Voor de 2e tot 5e werknemer komt er een bijdragevermindering van 1.000,00 EUR per kwartaal en dit gedurende de eerste 3 jaar.

  • De duur van de werkloosheidsuitkeringen wordt beperkt tot maximum 2 jaar.

    Die beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd geldt niet voor wie ouder is dan 55 jaar, voor zover zij vanaf dit jaar een beroepsverleden hebben van minstens 30 jaar van elk minstens 156 gewerkte dagen. In 2030 wordt die beroepsverledenvoorwaarde verhoogd naar 35 loopbaanjaren.

Arbeidsflexibiliteit

  • Het systeem van flexi-jobs wordt opengesteld voor alle sectoren. Echter, de mogelijkheid van de sectoren blijft behouden om via opt-out flexi-jobs uit te sluiten of te reguleren. Het maximum jaarinkomen dat vrij van belastingen en sociale zekerheidsbijdragen verdiend kan worden, wordt opgetrokken van 12.000,00 EUR naar 18.000,00 EUR en, waar geldend, het maximum uurloon van 17,00 EUR naar 21,00 EUR.

  • Voor studentenarbeid verhoogt men de toegestane kalenderjaargrens voor de verminderde sociale bijdragen permanent van 475 uur naar 650 uur. De minimum leeftijdsgrens voor studentenarbeid wordt 15 jaar. De fiscale vrijstelling voor inkomsten uit studentenarbeid wordt verdubbeld en het maximumbedrag van de netto-bestaansmiddelen wordt verhoogd naar 12.000,00 EUR voor iedereen.

  • De proefperiode wordt opnieuw ingevoerd, uiterlijk op 31 december van dit jaar. Gedurende de eerste 6 maanden van de arbeidsovereenkomst zullen beide partijen die overeenkomst kunnen opzeggen met een verkorte opzeggingstermijn van 1 week.

  • In de eerste helft van dit jaar wordt een nieuw wettelijk kader ingevoerd om bijkomende flexibiliteit van arbeidsduur mogelijk te maken. Concreet wordt een annualisering van de arbeidstijd of ‘accordeon’ uurroosters mogelijk voor deeltijdse en voltijdse arbeid. Waar mogelijk, wordt hierbij arbeidstijdregistratie ingevoerd, maar het regeerakkoord bevat hierover geen verdere details.

  • Het verbod op nachtarbeid wordt afgeschaft. In de distributiesector en aanverwante sectoren (bv. e-commerce) zal nachtarbeid starten vanaf 24.00 uur in de plaats van 20.00 uur zoals dit momenteel geldt, zonder verlies van koopkracht voor de werknemer die vandaag al actief is tussen de twee voormelde uren.

  • De wettelijk verplichte sluitingsdag wordt afgeschaft en de regelgeving inzake openingsuren wordt versoepeld.

  • Het systeem van overuren wordt herzien. Er komt een uniforme regeling van 180 fiscaalvriendelijke overuren.

  • Wat betreft de vrijwillige overuren, wordt voor alle sectoren één aantrekkelijk systeem ingevoerd van 360 uren zonder motief of inhaalrust. Voor 240 van deze vrijwillige overuren is geen overloon verplicht en is bruto gelijk aan netto. Voor de horecasector worden de vrijwillige overuren opgetrokken van 360 naar 450 overuren, waarvan 360 zonder verplicht overloon. De vrijwillige overuren kunnen uitsluitend worden toegepast voor enerzijds voltijdse werknemers en anderzijds deeltijdse werknemers die minstens 3 jaar deeltijds werken op voorwaarde dat er een tijdelijke toename van werk is.

  • Het verplicht opnemen van alle toepasbare uurroosters in het arbeidsreglement wordt afgeschaft. De voorwaarde die daartoe geldt is dat de grenzen van de flexibiliteit duidelijk worden omschreven in het arbeidsreglement. Er moeten daarbij garanties worden ingebouwd die ervoor zorgen dat dit niet leidt tot meer ziekteverzuim door werkstress. De voorspelbaarheid van de werkuren van de werknemers moet worden gegarandeerd, door het behoud van de bestaande regels rond minimale verwittigingstermijnen.

  • De verplichting dat de minimale wekelijkse arbeidsduur minstens 1/3de moet zijn van een voltijds uurrooster wordt afgeschaft. Het verbod op arbeidsprestaties van minder dan 3 uur wordt behouden.

  • Eenmaal per loopbaan mag een werknemer, die al minstens 10 jaar effectief heeft gewerkt, zelf ontslag nemen zonder verlies van zijn recht op werkloosheidsuitkering voor een beperkte periode van in principe maximum 6 maanden.

Einde loopbaan

  • Het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag (hierna SWT), zijnde het vroegere brugpensioen, zal uitdoven. De nieuwe instroom in dit stelsel stopt vanaf de datum van het regeerakkoord, behalve wat betreft het medisch SWT. Aan de verworven rechten van werknemers die momenteel in SWT-stelsel zitten wordt niet geraakt. De toegang tot SWT blijft ook gevrijwaard voor werknemers uit bedrijven die een intentieverklaring tot herstructurering of collectief ontslag hebben afgesloten voor de datum van het regeerakkoord.

  • Voor oudere werknemers vanaf 55 jaar blijft het mogelijk om op het einde van hun loopbaan via een landingsbaan deeltijds (1/2de of 4/5de) te werken.

  • De voorwaarde daartoe is vanaf dit jaar dat zij een beroepsverleden hebben van minstens 30 jaar van elk minstens 156 gewerkte dagen. In 2030 wordt die beroepsverledenvoorwaarde verhoogd naar 35 loopbaanjaren.

  • Het wettelijk pensioenbedrag wordt vanaf 2026 procentueel verminderd per jaar vervroegde uittrede voor de wettelijke pensioenleeftijd. Dit geldt uitsluitend indien de gepensioneerde aan de loopbaanvoorwaarde voor vervroegd pensioen voldoet, maar niet komt aan 35 loopbaanjaren van 156 dagen met effectieve prestaties en 7020 effectief gewerkte dagen. Echter, er komt in omgekeerde zin ook een procentuele pensioenbonus ingeval van effectief langer werken.

Verlofstelsels

  • De bestaande verlofstelsels in het kader van de geboorte en de zorg voor een kind worden geïntegreerd in één systeem van ‘familiekrediet’. Elk kind krijgt bij de geboorte een rugzakje met familiekrediet. In het familiekrediet is er ook plaats voor bv. een opname door grootouders en het stimuleren van opname door beide ouders.

  • Ouderschapsverlof wordt ook mogelijk gemaakt voor pleegouders.

Responsabilisering van (langdurig) zieken

  • Er is sprake van een allesomvattend plan voor de preventie en re-integratie van langdurig zieken met een sterkere responsabilisering van de 5 betrokken actoren: werknemer, werkgever, arts, ziekenfonds en de regionale arbeidsbemiddelingsdienst.

  • Werkgevers worden geresponsabiliseerd om sterker in te zetten op de re-integratie van hun langdurig zieke werknemers tussen 18 en 54 jaar. Gedurende de eerste 2 maanden van arbeidsongeschiktheid die volgen op de periode van gewaarborgd loon, zullen werkgevers (met uitzondering van KMO’s) voor deze groep personeelsleden een bijdrage moeten betalen van 30% van de RIZIV-uitkering.

  • Het wordt mogelijk om sneller dan na de huidige verplichte wachtperiode van 3 maanden een formeel of informeel re-integratietraject op te starten, zelfs vanaf de 1ste dag van de arbeidsongeschiktheid, mits toestemming van de werknemer.

  • Werkgevers worden verplicht om na 8 weken arbeidsongeschiktheid een inschatting te laten maken van het arbeidspotentieel van werknemers door de externe preventiedienst, en desgevallend het re-integratietraject op te starten. Voor werkgevers met meer dan 20 werknemers wordt een sanctie voorzien indien niet binnen de 6 maanden vanaf de aanvang van de arbeidsongeschiktheid een re-integratieproces wordt opgestart voor wie arbeidspotentieel heeft.

  • De huidige mogelijkheid om tot 3 keer per kalenderjaar één ziektedag op te nemen zonder medisch attest, zal worden herleid tot 2 keer per jaar.

  • In bepaalde gevallen worden de ziekte-attesten omgevormd tot zogenaamde geschiktheidsattesten (of ‘fit notes’), waarin de behandelende arts facultatief kan vermelden wat de arbeidsongeschikte werknemer tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid wél nog kan.

Administratieve vereenvoudiging

  • Het individueel opleidingsrecht blijft behouden, maar wordt flexibeler. Het Federal Learning Account (FLA), zijnde het digitale platform dat door de vorige regering werd ontwikkeld, wordt afgeschaft. De mogelijkheid tot invoering van een minder administratief belastend systeem wordt nader onderzocht.

  • De startbaanverplichting, die een verplichte aanwerving van een bepaald aantal jongeren inhield, wordt geschrapt.

  • Waar akkoorden tussen de werkgever en de werknemer zesmaandelijks hernieuwd moeten worden (bv. voor de vierdagenweek), wordt deze verplichting vervangen door of minstens aangevuld met de mogelijkheid om een akkoord van onbepaalde duur te sluiten met een zesmaandelijks herroepingsrecht.

Sociale fraudebestrijding

  • Belgische gebruikers van buitenlands personeel dienen de uitdrukkelijke verplichting te krijgen om te controleren of de buitenlandse dienstverlener over een erkenning beschikt, voordat ze ermee kunnen samenwerken.

  • Een betere uitwisseling van informatie wordt gefaciliteerd tussen Belgische en buitenlandse inspectiediensten op Europees niveau over terbeschikkingstelling in andere Europese landen.

  • Er is sprake van een verhoging van het aantal controles op zwartwerk door de werklozen die in hun vorige of huidige functie werkzaam waren/zijn in de sectoren met personeelstekorten: bouw, elektriciteit, schoonmaak, horeca, goederenvervoer, vlees, taxi, verhuizingen, beveiliging, land- en tuinbouw, carwash, schoonmaak, dienstencheques en begrafenisondernemingen.

  • Ook de strijd tegen schijnzelfstandigheid en schijnwerknemerschap wordt verder versterkt.

  • Om sociale dumping tegen te gaan en de veiligheid op bouwwerven te verhogen, wordt de verplichte registratie bij het verlaten van de werf ingevoerd, in overeenstemming met de CheckInandOutatWork voor de schoonmaak en verhuissector. Er wordt onderzocht of de ConstruBadge hiervoor een geschikt middel is.

  • Ingeval van inbreuken op het Sociaal Strafwetboek met een verzwarende factor, is het voorstel van de regering dat het bedrag van de strafrechtelijke (of administratieve) geldboete niet lager mag zijn dan 50% van het voorgeschreven maximumbedrag. De opdeciemen worden verhoogd van 70 (zijnde een vermenigvuldigingsfactor van boeten x8) naar 90 (dit betekent x 10). Als bijkomende sanctie geldt dat sociale fraudeurs gedurende een bepaald aantal kwartalen het recht op toekomstige RSZ-kortingen verliezen.

Deel deze post
Labels
Archief
Verbod op AI-systemen met een onaanvaardbaar risico