Op 15 december 2023 publiceerden we een nieuwsbrief waarin we erop wezen dat het koninklijk besluit van 29 januari 2007 (betreffende de beroepsbekwaamheid voor de uitoefening van zelfstandige activiteiten van het bouwvak en van de elektrotechniek, alsook van de algemene aanneming) voor het Vlaamse Gewest opgeheven werd bij besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2018. Een aannemer in Vlaanderen moet hierdoor niet langer in het bezit zijn van een getuigschrift met betrekking tot zijn beroepsbekwaamheid om ruwbouwwerken uit te voeren.
Indien dit zo geïnterpreteerd wordt dat een onderneming waarvan de zetel zich in Vlaanderen bevindt, zijn beroepsbekwaamheid niet langer hoeft aan te tonen, zelfs niet om in een ander Gewest te werken, leidt deze opheffing aan Vlaamse kant van het land tot een aanzienlijk verschil in behandeling tussen aannemers. De onduidelijkheid over de toepassing van deze regels leidt tot grote rechtsonzekerheid en verhindert een doeltreffende bescherming van consumenten en bouwheren, die te maken hebben met aannemers die hun zetel in Vlaanderen gevestigd hebben om aan geen enkele voorwaarde voor toegang tot het beroep onderworpen te zijn.
Deze kwestie werd voorgelegd aan de Ondernemingsrechtbank van Henegouwen, afdeling Bergen, die op 17 april 2023 uitspraak deed. Dit vonnis is vooral interessant omdat het de vragen analyseert die we in onze eerder genoemde nieuwsbrief aan de orde stelden en de hierboven aangehaalde controverse beslecht.
In de feiten vorderde een bouwheer de nietigheid van een contract dat was afgesloten met firma “S” die zich presenteerde als een handel in verwarmings- en sanitaire materialen. Deze firma had nochtans in juli 2019 een nieuwe verwarmingsketel geïnstalleerd zonder over de vereiste toegang tot het beroep te beschikken. Vervolgens weigerde een firma gespecialiseerd in het onderhoud van verwarmingsketels om onderhoud uit te voeren aan de installatie die door “S.” was gebeurd, waarbij de firma opwierp dat er een type verwarmingsketel geïnstalleerd was dat sinds 2016 verboden was, dat er verouderde gasleidingen gebruikt waren en dat de installatie onveilig was.
De firma S. pleitte dat zij het slachtoffer was van discriminatie ten opzichte van een in Vlaanderen gevestigde onderneming, vermits zij, volgens haar, indien zij in Vlaanderen gevestigd was geweest, in Wallonië werkzaamheden had kunnen verrichten zonder haar beroepsbekwaamheid te moeten aantonen.
De Rechtbank volgde deze argumentatie echter niet.
Volgens de Rechtbank vormt België een economische en monetaire unie waarbinnen het vrije verkeer moet worden gewaarborgd, wat een beginsel van wederzijdse erkenning tussen de verschillende delen van de federale Staat oplegt. Welnu, de door de programmawet van 10 februari 1998 opgelegde eis van basiskennis van bedrijfsbeheer zou gerechtvaardigd zijn door de strijd tegen één van de voornaamste oorzaken van faillissementen en het aantonen van beroepsbekwaamheid in de bouwsector streeft doelstellingen van kwaliteit en consumentenbescherming na.
Volgens de Rechtbank gaat het daarbij om legitieme doelstellingen die rechtvaardigen dat een deel van de Staat - in casu het Waalse Gewest - strengere regels oplegt aan ondernemingen gevestigd in een ander deel van de Staat - in casu het Vlaamse Gewest - voor de uitoefening van de bouw- en elektrotechnische activiteiten gereglementeerd in het koninklijk besluit van 29 januari 2007.
De Rechtbank benadrukt verder dat de erkenning van de in het gewest van vestiging geldende regels voor het vrij verrichten van diensten op het grondgebied van het ontvangende gewest slechts plaatsvindt voor zover de regels van het gewest van vestiging gelijkwaardige - of minstens vergelijkbare - voorwaarden voor de uitoefening van de betrokken activiteit stellen. Welnu, het Vlaamse Gewest heeft alle voorwaarden voor de toegang tot het beroep voor activiteiten op het gebied van bouw en elektrotechniek eenvoudigweg afgeschaft, zodat er voor de uitoefening van deze activiteiten in het Waalse Gewest geen wederzijdse erkenning opgelegd is voor een in het Vlaamse Gewest gevestigde onderneming.
De Rechtbank concludeert daaruit dat de reglementering inzake ondernemersvaardigheden in de programmawet van 10 februari 1998 en in het koninklijk besluit van 29 januari 2007 dan ook van toepassing zijn op bouw- en elektrotechnische activiteiten wanneer zij betrekking hebben op de bouw, de herstelling of de afbraak van een gebouw door een KMO voor rekening van een derde en wanneer dat gebouw zich in het Waalse Gewest bevindt, zelfs wanneer de KMO die de betrokken activiteiten uitoefent, haar hoofdvestiging in het Vlaamse Gewest heeft.
Rekening houdend met het voorgaande oordeelde de Rechtbank dat er geen sprake was van discriminatie, in tegenstelling tot wat de firma « S » beweerde.
De aandacht van de lezer moet ook gevestigd worden op een andere interessante passage in het vonnis, waarin de Rechtbank besluit tot de nietigverklaring van het contract omwille van de fout begaan door de firma S. doordat ze nagelaten had de bouwheer erover in te lichten dat zij geen toegang had tot het beroep voor de werken die aan haar toevertrouwd waren.
Dit vonnis moet worden goedgekeurd, niet enkel voor de poging om de teksten te interpreteren op een manier die ze verenigbaar en juridisch toelaatbaar maakt, maar vooral omwille van het resultaat dat het bereikt in termen van gezonde concurrentie en bescherming van de consument. Bouwheren die in het Waalse en Brusselse Gewest gevestigd zijn, moeten uiterst voorzichtig blijven en controles uitvoeren, die in de praktijk niet altijd evident zijn, maar kunnen zich op deze rechtspraak beroepen ten aanzien van een aannemer die in Vlaanderen gevestigd is en meent dat hij geen toegang tot het beroep nodig heeft.
Voor meer informatie over het bovenstaande kan u steeds contact opnemen met Sébastien Leroy en Melissa Olivotto.