Op 16 december 2024 is de Belgische Wet tot regeling van de private opsporing in werking getreden. Deze wet vervangt de Wet tot regeling van het beroep van privédetective van 1991 en zal private onderzoeken en de gevestigde praktijken en normen wellicht een nieuwe vorm geven. De nieuwe wet houdt rekening met het gebruik van moderne technologie, de rol van private onderzoeken in het bredere veiligheidslandschap en de huidige principes inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en fundamentele rechten.
De Wet houdt dus een belangrijke wijziging van het wetgevend kader in, waarbij de praktische gevolgen ervan in 2025 duidelijk zullen worden.
De belangrijkste kenmerken van de Wet tot regeling van de private opsporing zijn:
Toepassingsgebied: de Wet is van toepassing op private onderzoeken, d.w.z. de onderzoeken door een natuurlijke persoon namens een opdrachtgever (zoals een werkgever) door het verzamelen en verwerken van informatie over personen (zoals werknemers) of rechtspersonen met betrekking tot door hen gepleegde feiten. Onder de Wet vallen zowel externe als interne onderzoeken, respectievelijk door bijvoorbeeld privédetectives of interne fraudeonderzoekers, met als doel de verzamelde informatie te verstrekken aan de opdrachtgever om diens belang bij een (mogelijk) conflict veilig te stellen of vermiste personen of goederen op te sporen.
De Wet tot regeling van de private opsporing geldt echter niet voor onderzoeken naar (de status of waarde van) goederen als zodanig. Zo vallen bijvoorbeeld branddeskundigen die voor verzekeringsmaatschappijen werken om de oorzaak van een brand vast te stellen niet onder de Wet.
De Wet heeft ook geen betrekking op activiteiten die uitgevoerd worden door bepaalde beroepsbeoefenaren zoals advocaten of bedrijfsrevisoren en onderzoeken die uitgevoerd worden namens een opdrachtgever ter nakoming van, onder andere, wettelijke verplichtingen. Onderzoeken die verplicht zijn krachtens de klokkenluidersregeling vallen dus niet onder het toepassingsgebied van de Wet tot regeling van de private opsporing. Het is in dit verband belangrijk op te merken dat de Wet nog steeds van toepassing kan zijn op onderzoeken die georganiseerd worden op grond van het interne klokkenluidersbeleid van de opdrachtgever buiten het eigenlijke toepassingsgebied van de klokkenluidersregeling.
Tot slot zijn HR-teamleden die incidenten met werknemers onderzoeken vrijgesteld van de vergunningsvereisten. Ze moeten echter wel voldoen aan de andere bepalingen van de Wet.
Vergunningvereisten: privédetectives en interne onderzoeksdiensten moeten een vergunning krijgen van de Minister van Binnenlandse Zaken. Interne onderzoeksdiensten hebben zes maanden de tijd vanaf de inwerkingtreding van de wet (d.w.z. 16 juni 2025) om hun vergunningsaanvraag in te dienen. Eenmaal de vergunning is verkregen, is ze vijf jaar geldig. De vergunningsvoorwaarden zullen vastgesteld worden bij een nog te publiceren Koninklijk Besluit.
Beleid: bedrijven moeten tegen 16 december 2026 over een beleid beschikken waarin de regels betreffende private onderzoeken naar werknemers zijn vastgelegd (met inbegrip van de toelating en de voorwaarden van dergelijke onderzoeken). Deze vereiste is onderworpen aan een nietigheidssanctie, wat betekent dat bewijsmateriaal dat is verkregen op een manier die in strijd is met deze bepaling, niet gebruikt kan worden bij een gerechtelijke procedure.
Grenzen aan onderzoeken: de Wet verbiedt het onderzoeken of mededelen van bepaalde soorten informatie, zoals iemands politieke opvattingen, vakbondslidmaatschap, seksueel gedrag enz.
Verplichting tot bijhouden van een register: interne onderzoeksdiensten moeten een opdrachtregister bijhouden waarin onder andere een precieze omschrijving van de opdracht, alsook de begin- en einddatum van het onderzoek genoteerd worden. Aan het einde van een onderzoek wordt een schriftelijk onderzoeksrapport aan de opdrachtgever verstrekt.
Toestemming: voor specifieke onderzoeksmaatregelen is toestemming vereist van de persoon tegen wie een onderzoek wordt ingesteld. Dit is het geval bij het afnemen van interviews (ongeacht of deze opgenomen worden of niet) of als de huwelijkse, financiële of beroepssituatie van een persoon onderzocht wordt.
Sancties: niet-naleving van de Wet kan aanleiding geven tot administratieve sancties.
Volgende stappen: om de impact van de Wet tot regeling van de private opsporing op uw organisatie te beoordelen, raden we u aan om in kaart te brengen welke soort onderzoeken (eventueel) binnen uw organisatie uitgevoerd worden, met welk doel en door wie. Dit zal helpen om te bepalen of de activiteiten van uw organisatie binnen het toepassingsgebied van de Wet vallen, alsook om de praktische gevolgen van de Wet te bepalen.
Als u vragen heeft over de Wet tot regeling van de private opsporing, aarzel niet om contact op te nemen met Liesbeth Truyens of Marie-Aude Deslandes die u met plezier door de Wet zullen leiden en u zullen helpen bij het evalueren van de impact ervan op uw organisatie.