Overslaan naar inhoud

De nieuwe exploitant van een risicovolle activiteit voor de bodem kan voortaan worden vrijgesteld van de “bodemverplichtingen” wanneer de verontreiniging door de vorige exploitant is veroorzaakt

21 mei 2026 in


Gevraagd om een prejudiciële beslissing, concludeert het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 50/2026 van 23 april 2026 dat artikel 30, § 1, lid 1, 2° van het Waals decreet van 1 maart 2018 betreffende het bodembeheer en bodemsanering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het de overnemer van een vergunning verbiedt zich te bevrijden van zijn verplichtingen die volgen op een oriënteringsonderzoek wanneer de verontreiniging de verantwoordelijkheid is van een solvabele derde die de overdrager van de vergunning is.


De exploitant als verplichtinghouder voor de uitvoering van een oriënteringsonderzoek

Ter herinnering: de exploitant van een installatie of activiteit die een risico voor de bodem inhoudt (in de zin van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002) kan worden aangewezen als verplichtinghouder inzake bodembeheer en bodemsanering zoals bepaald in artikel 19 van het decreet van 1 maart 2018 betreffende het bodembeheer en bodemsanering (het “Decreet”).

Eén van de verplichtingen die op de exploitant rust, is het uitvoeren van een oriënteringsonderzoek van de bodem in één van de gevallen die in artikel 24 van het Decreet worden opgesomd, met name wanneer de exploitant zijn activiteiten stopzet of wanneer de vergunning die deze activiteiten machtigt, afloopt.

Wanneer uit de resultaten van het oriënteringsonderzoek blijkt dat de drempelwaarden voor de geanalyseerde stoffen worden overschreden, is de exploitant in principe ertoe gehouden een kenmerkenonderzoek uit te voeren om de bodemverontreiniging te omschrijven en te lokaliseren (artikel 44 van het Decreet), onderzoek waarvan de resultaten de houder kunnen verplichten tot de uitvoering van een saneringsproject (artikel 50 van het Decreet).

Afwijking van de verplichtingen die voortvloeien uit een oriënteringsonderzoek

De Waalse wetgever heeft echter in artikel 30 van het Decreet een reeks afwijkingen voorzien die de houder toelaten vrijgesteld te worden van de verplichtingen die volgen uit de uitvoering van een oriënteringsonderzoek.

Eén van de voorziene afwijkingen betreft het geval waarin de vergunninghouder kan aantonen dat „ de vervuiling de verantwoordelijkheid is van een solvabele derde, onder uitsluiting van diegene die de vergunning afstaat (art. 30, § 1, lid 1, 2°).

De feiten en de procedure die tot de prejudiciële vraag hebben geleid

De aan het Grondwettelijk Hof gestelde prejudiciële vraag doet zich precies voor in een procedure voor de Raad van State, waarin de verzoekende partij, nadat zij de exploitatie van activiteiten op het gebied van de verdeling van koolwaterstoffen, waarvoor een milieuvergunning was afgeleverd, had stopgezet, door de overheid een beslissing voorgelegd kreeg waarin haar de vrijstelling van de verderzetting van de verplichtingen tot bodemsanering werd geweigerd om reden dat de derde die daadwerkelijk verantwoordelijk was voor de vastgestelde verontreiniging de overdrager van de gezegde vergunning was (d.w.z. de vorige exploitant).

De geest van de hervorming van het bodemdecreet van 1 maart 2018

Het bodemdecreet van 1 maart 2018 betreffende het bodembeheer en bodemsanering kadert met name in de doelstelling om te zorgen voor « een betere afstemming tussen de verplichtingen, de potentiële vergunninghouders en de afwijkingen », terwijl het erop gericht is « de toepassing van de vervuiler-betaalt-beginselen te handhaven ” (Parl. St., Waals Parlement, 2017-2018, nr. 984/1, p. 5).

Versterkte verankering van het beginsel ‘de vervuiler betaalt’

Hoewel de parlementaire werkzaamheden het in artikel 30 van het Decreet voorziene afwijkingsmechanisme niet expliciet baseren op het beginsel ‘de vervuiler betaalt’, moet toch worden vastgesteld dat deze regeling in de lijn ligt van het gezegde beginsel, in zoverre zij de verplichtinghouder inzake bodembeheer toelaat hiervan te worden vrijgesteld indien hij erin slaagt aan te tonen dat een derde de oorzaak is van de verontreiniging.

De afwijkingsregeling lijkt echter onvolledig, ja zelfs tegenstrijdig, in die zin dat elke mogelijkheid tot vrijstelling uitgesloten wordt wanneer de voor de verontreiniging verantwoordelijke derde dezelfde is als de overdrager van de milieuvergunning, en daardoor de werkelijke vervuiler toelaat zich te onttrekken aan de verplichtingen tot onderzoek en sanering.

Zoals het Hof concludeert, creëert artikel 30, § 1, eerste lid, 2°, van het Decreet op zijn minst een verschil in behandeling dat onverenigbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet tussen de houders van de in artikel 19 van het Decreet bedoelde verplichtingen, naargelang zij hun vestiging al dan niet uitbaten in de hoedanigheid van overnemer van een milieuvergunning.

In de praktijk: rechtszekerheid op administratief gebied zonder afbreuk te doen aan contractuele mechanismen

In de praktijk zal, wanneer de overdracht van een milieuvergunning die een risicovolle activiteit voor de bodem machtigt, gepaard gaat met de overdracht van het onroerend goed waarin de activiteit wordt uitgeoefend, de overeenkomst tot overdracht van activa vaak de rechten en plichten van de partijen op het gebied van bodemonderzoek en -sanering strikt regelen.

Dit gezegd zijnde, zijn de overeenkomsten tussen de partijen, gezien de relatieve werking van de overeenkomst, niet tegenstelbaar aan de administratieve overheid, tenzij de wet uitdrukkelijk in een mechanisme daartoe voorziet. De administratieve overheid zal de partij aanspreken die zij verantwoordelijk acht voor een verontreiniging in toepassing van de wet en niet in toepassing van de overeenkomst tussen de partijen.

Op basis van het besproken arrest kan de overnemer/koper de overheid onder bepaalde voorwaarden dwingen om hem te ontslaan van de “bodem-”verplichtingen”, ongeacht de verbintenissen (of het gebrek aan verbintenissen) tussen de partijen, omwille van het feit dat de vastgestelde verontreiniging veroorzaakt werd door de overdrager/vorige exploitant.

Dit is, volgens ons, de belangrijkste praktische bijdrage van dit arrest, die de rechtszekerheid op het gebied van de toewijzing van de verplichtingen inzake bodembeheer zou moeten versterken.

Tot slot moet worden benadrukt dat dit arrest geen algemene immuniteit creëert voor de overnemer van de vergunning met betrekking tot de “bodem-”verplichtingen”. Wanneer de overnemer te maken krijgt met een insolvabele overdrager of met een gemengde verontreiniging, kan hij dus niet, althans gedeeltelijk, vrijgesteld worden van zijn verplichtingen.

Deel deze post
Archief
Nieuwe regels rond opzegging: wat verandert er in 2026?