In een vorige nieuwsbrief[1] werd het wetsvoorstel tot invoering van Boek 7 “Bijzondere contracten” BW al kort toegelicht wat betreft de verschillende van toepassing zijnde termijnen voor de lichte verborgen gebreken.
[1] Aansprakelijkheid voor lichte verborgen gebreken en redelijke termijn: the gift that keeps on giving | Schoups
Van “licht verborgen gebreken” naar “conformiteitsgebreken” in het nieuwe BW
Vooreerst is van belang om aan te halen dat na invoering van het wetsvoorstel de term “lichte verborgen gebreken” niet langer gebruikt zal worden. Na invoering van Boek 7 BW is de te gebruiken term “conformiteitsgebreken”.
Een aannemer moet zijn opdracht uitvoeren in overeenstemming met de wettelijke en contractuele bepalingen, de geldende normen en in functie van wat de opdrachtgever redelijkerwijs mag verwachten. De aannemer moet daarbij instaan voor elk conformiteitsgebrek dat minstens in de kiem bestaat op het moment van levering.
De volgende drie termijnen zullen relevant zijn voor de zogenaamde (niet-stabiliteitsbedreigende) conformiteitsgebreken:
(1) een conformiteitstermijn van 10 jaar vanaf de aanvaarding, gedurende dewelke de aannemer dient in te staan voor conformiteitsgebreken (voorgesteld art. 7.4.17 BW),
(2) een kennisgevings- of reactietermijn, die opnieuw een redelijke termijn uitmaakt, waarbinnen de opdrachtgever het conformiteitsgebrek na ontdekking moet melden aan de aannemer en die ten vroegste start vanaf de levering (voorgesteld art. 7.4.18 BW),
(3) een procedure-/verjaringstermijn van twee jaar vanaf de kennisgeving, die ten vroegste twee jaar na de levering van de opdracht eindigt (voorgesteld art. 7.4.19 BW).
Het valt hierbij op dat de wetgever een ander aanvangspunt bepaalt voor de verschillende termijnen: de conformiteitstermijn start vanaf de aanvaarding en de kennisgevingstermijn wordt gekoppeld aan de levering.
Kritiek van de Raad van State
De Raad van State is op dit punt ook kritisch voor de wetgever. In het advies van de Raad van State van 28 april 2025 formuleert zij kritiek bij de gesuggereerde bepalingen die betrekking hebben op de “conforme uitvoering en levering”. De kritiek heeft voornamelijk betrekking op twee aspecten van de voorgestelde nieuwe bepalingen: (1) het gebruik van de begrippen levering én aanvaarding en (2) het onderscheid in termijnen tussen de niet-stabiliteitsbedreigende conformiteitsgebreken en de stabiliteitsbedreigende conformiteitsgebreken.
(1) Levering vs. Aanvaarding
De verschillende termijnen die van toepassing zijn bij (niet-stabiliteitsbedreigende) conformiteitsgebreken hebben een ander aanvangspunt: levering of aanvaarding. Beide begrippen kunnen nauw met elkaar verbonden zijn, al is dit -zeker in de bouwsector- niet steeds het geval.
De levering is de voltooiing van de opdracht en (indien van toepassing) de materiële, symbolische of intellectuele overhandiging van een goed (voorgesteld art. 7.4.20 BW). De aanvaarding is de bevestiging door de opdrachtgever dat de opdracht tijdig is geleverd en vrij is van enig conformiteitsgebrek (voorgesteld art. 7.4.9 BW). Beide handelingen vallen niet noodzakelijk op hetzelfde ogenblik. De Raad van State geeft zelf het voorbeeld van bouwwerken waarbij tussen de voltooiing van het werk door de aannemer en de vaststelling door de opdrachtgever dat de werken tijdig en volgens de regels van de kunst voltooid werden enige tijd kan verstrijken.
De Raad van State stelt zich hierbij de vraag of het werkelijk de bedoeling van de wetgever is dat de kennisgevingstermijn ten vroegste ingaat op het moment van levering (en niet op het moment van de aanvaarding), aangezien er ook al een conformiteitsgebrek aan het licht kan komen voorafgaand aan de levering. De wetgever zal hier standpunt over moeten innemen[1].
(2) Niet-stabiliteitsbedreigend vs. Stabiliteitsbedreigend
Uit de voorgestelde bepalingen vloeit voort dat in een situatie waarin een opdrachtgever met een niet-stabiliteitsbedreigend conformiteitsgebrek wordt geconfronteerd in het negende jaar na aanvaarding, nog beschikt over een termijn van twee jaar om de aannemer in rechte aan te spreken. De conformiteitstermijn is aldus nog lopende (d.i. namelijk 10 jaar na aanvaarding). Na ontdekking van het conformiteitsgebrek moet de opdrachtnemer het conformiteitsgebrek binnen een redelijke termijn melden aan de aannemer (d.i. de kennisgevingstermijn) en beschikt hij nog over een termijn van twee jaar na zijn melding om de aannemer in rechte aan te spreken (d.i. de verjaringstermijn). Zodoende kan een opdrachtgever de aannemer voor een niet-stabiliteitsbedreigend conformiteitsgebrek nog aanspreken tot (in dit voorbeeld) 11 jaar (9 jaar + 2 jaar) na aanvaarding van de werken.
De situatie is anders bij stabiliteitsbedreigende conformiteitsgebreken (de “tienjarige aansprakelijkheid”). Indien het conformiteitsgebrek de stabiliteit van het gebouw in het gedrang kan brengen, is er sprake van een stabiliteitsbedreigend conformiteitsgebrek. Hiervoor voorziet de wetgever geen kennisgevingstermijn. De bepalingen inzake stabiliteitsbedreigende conformiteitsgebreken zijn, net als onder het huidige recht, van openbare orde. De enige termijn die de wetgever hiervoor in het wetsvoorstel voorziet is een tienjarige vervaltermijn die aanvangt vanaf de aanvaarding. Een opdrachtgever moet in ieder geval de aannemer aanspreken binnen de tien jaar na de aanvaarding. Ontdekt de opdrachtgever het stabiliteitsbedreigend conformiteitsgebrek negen jaar na aanvaarding, rest nog één jaar om een vordering in rechte in te stellen.
Het onderscheid tussen beide regimes wordt door de wetgever verantwoord door het feit dat er voor de stabiliteitsbedreigende conformiteitsgebreken geen kennisgevingstermijn bestaat. De Raad van State meent dat dit onderscheid onvoldoende onderbouwd is in het licht van het gelijkheidsbeginsel.
***
De wetgever zal aan de slag moeten om de opmerkingen van de Raad van State te verwerken. Wij volgen dit voor u verder op en houden u op de hoogte van alle nieuwigheden.
[1] Het is interessant op te merken dat de Raad van State er ook op aandringt dat de gebruikte terminologie consistent is, omdat de termen die in het Frans worden gebruikt niet overeenkomen met die in het Nederlands. Zo wordt in het Frans verwezen naar de "délivrance", een begrip dat niet wordt gebruikt in de bouwsector (daarentegen is de term "réception" wel degelijk relevant).