Overslaan naar inhoud

Strengere regels tegen greenwashing en bijkomende informatieverplichtingen vanaf 27 september 2026. Wie nog ‘groen’ wil roepen, denkt beter twee keer na.

11 augustus 2026

Hoezeer de meningen ook verschillen over alle concrete aspecten en zelfs over de inhoud van het begrip zelf, lijkt iedereen het wel eens over het principe: het moet allemaal ‘duurzamer’. Vanuit wetgevend perspectief zijn er verschillende manieren om daarin te sturen.

Eén benadering is om ondernemingen te dwingen om minimale duurzaamheidsvereisten te halen. Een voorbeeld daarvan is de zgn. EU-Methaanverordening (2024/1787). Deze verordening beoogt de methaanemissies in de olie-, gas- en steenkoolsector aanzienlijk te verminderen tegen 2030. De EU-Methaanverordening illustreert meteen ook de uitdagingen. Op 20 juli 2026 heeft de Europese Commissie twee aanbevelingen aangenomen waarin zij o.m. de tijdelijke opschorting adviseert van bepaalde sancties (zie hierover onze recente nieuwsbrief). Een voorbeeld van een andere orde is de minimale wettelijke garantietermijn van 2 jaar bij consumentenkoop, zoals in België omgezet in artikel 1649bis e.v. oud BW. Ook dit gaat deels in tegen de wegwerpcultuur. 

Niet minder belangrijk is dat consumenten weloverwogen aankoopbeslissingen kunnen nemen. Duurzaamheid is een belangrijk element geworden om klanten en investeerders te lokken. De verleiding om daarover ronkende verklaringen te doen, blijkt groot. Vaststelling is dat consumenten om de oren worden geslagen met groene en sociale claims (“duurzaam”, “puur natuur”, “100% recycleerbaar”, “ethisch”, “circulair”, “sociaal verantwoord”, “CO2-neutraal”, “biologisch afbreekbaar”, “energiezuinig”, “lokaal”, “fair”, “eerlijk” …) die vaak moeilijk verifieerbaar zijn. Het gevaar bestaat dat consumenten – pun very much intended – de bomen door het bos niet meer zien.

Groene en sociale claims zijn handelspraktijken die onderworpen zijn aan specifieke Belgische of Europese sectorale wetgeving of normen, of bij gebrek daaraan, aan de algemene wettelijke basis, zoals de artikelen VI.93 tot VI.100 WER, die de Europese Richtlijn Oneerlijke handelspraktijken (2005/29/EG) omzetten. Misleiding kan overigens subtiel zijn. Zo kan het volstaan dat een nochtans reëel ecologisch voordeel (impliciet) als exclusief wordt voorgesteld, terwijl het eigenlijk wettelijk verplicht en/of algemeen gangbaar is. Relevant is ook de Richtlijn Consumentenrechten (2011/83), die m.n. beoogt dat consumenten bij hun aankopen, vooral online, vooraf correct worden geïnformeerd.   

De administratieve handhaving gebeurt door de Economische Inspectie (FOD Economie). In dat verband heeft de FOD Guidelines Milieuclaims uitgevaardigd om ondernemingen te helpen. Het zet de belangrijkste principes van greenwashing uiteen en geeft aan wat de goede praktijken zijn. Inbreuken kunnen ook strafrechtelijk worden gesanctioneerd met een geldboete. Concurrenten en andere belanghebbenden kunnen daarnaast een stakingsvordering instellen bij de Voorzitter van de Ondernemingsrechtbank, zetelend zoals in kort geding, en/of schadevergoeding vorderen. 

Een en ander werd echter onvoldoende bevonden.

Op 28 februari 2024 heeft de Europese Unie daarom Richtlijn (EU) 2024/825 aangenomen, beter bekend als de "Empowering Consumers for the Green Transition Directive" (EmpCo). Deze heeft als doel consumenten beter te beschermen tegen misleidende duurzaamheidsclaims en hen in staat te stellen beter geïnformeerde aankoopbeslissingen te nemen. De richtlijn wijzigt zowel de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken (2005/29/EG) als de Richtlijn Consumentenrechten (2011/83/EU) en vult deze aan met meer specifieke verboden en informatieverplichtingen.

De belangrijkste wijzigingen zijn (kort samengevat):

1) Algemene milieuclaims zoals "milieuvriendelijk"; "groen"; "ecologisch"; "klimaatvriendelijk"; "duurzaam"; … zijn verboden wanneer zij niet kunnen worden onderbouwd met erkende uitstekende milieuprestaties.

2) Enkel duurzaamheidslabels en keurmerken die gebaseerd zijn op een certificeringssysteem of door een overheidsinstantie zijn vastgesteld, zijn nog toegelaten. De certificering moet bovendien voldoen aan transparante en objectieve criteria.

3) Aanpak van vroegtijdige veroudering en transparantie. Consumenten moeten (vooraf) correcte informatie krijgen over de duurzaamheid, herstelbaarheid en levensduur van producten. Dat gaat dan over de minimumperiode waarin software-updates ter beschikking worden gesteld, desgevallend de beschikbaarheid en geraamde kostprijs van reserveonderdelen, e.d..

Van praktisch belang is ook dat de verplichte herinnering aan het bestaan van de wettelijke conformiteitsgaranties, met inbegrip van de minimale garantietermijn van twee jaar (cf. 1649bis e.v. oud BW), wordt geharmoniseerd. De Uitvoeringsverordening 2025/1960betreffende het ontwerp en de inhoud van de geharmoniseerde kennisgeving over de wettelijke conformiteitsgarantie en van het geharmoniseerde etiket voor de commerciële levensduurgarantie”, legt daartoe een dwingende format op.

De Wet van 22 juli 2026 tot omzetting van Richtlijn (EU) 2024/825 verscheen op 4 augustus 2026 in het Belgisch Staatsblad. De wijzigingen zijn een getrouwe overname van de Richtlijn en houden vooral toevoegingen in aan de algemene precontractuele informatieverplichting (art. VI.2 - 2/2WER), alsook deze bij verkoop op afstand (art. VI.45 WER) en verkoop buiten de verkoopruimte (art. VI.64 WER), en specifiek als essentieel benoemde informatie of als misleidend benoemde handelspraktijken (art. VI.97-100 WER). Daartoe werden ook een aantal definities onder Boek I ingevoerd of verduidelijkt.  

De nieuwe regels betekenen een belangrijke verstrenging van de Europese regels inzake consumentenbescherming. Ondernemingen zullen hun duurzaamheidscommunicatie voortaan (nog meer) moeten baseren op transparante, controleerbare en wetenschappelijk onderbouwde informatie. Wie dat nalaat, loopt niet alleen reputatieschade op, maar ook het risico op handhaving wegens oneerlijke handelspraktijken.

De wet treedt in werking op 27 september 2026. Er is wel een (halfslachtige) overgangsfase van zes maanden waarin inbreuken die betrekking hebben op goederen die werden geproduceerd, verpakt of op de markt gebracht voor 27 september 2026 tijdelijk buiten de handhavingsbevoegdheid van de Economische Inspectie vallen (art. 15 Omzettingswet, j. art. XV.2, §2 WER).


Deel deze post
Labels
Archief
Hervorming openingsurenwet definitief: wijziging openingsuren en afschaffing verplichte sluitingsdag vanaf 13 augustus 2026