Skip to Content

Sperperiode in strijd met de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken: aankondigingen van prijsverminderingen tijdens sperperiode niet langer verboden

26 November 2012

Met zijn arrest van 2 november 2012 maakt het Hof van Cassatie wellicht een einde aan het bestaan van de zogenaamde sperperiode. Tijdens de sperperiode – van 15 november tot en met 2 januari en van 15 mei tot en met 30 juni – is het verboden om prijskortingen aan te kondigen of te suggereren. Reeds geruime tijd is de sperperioderegeling voorwerp van discussie. Enkele winkelketens lieten zich de voorbije jaren steevast opvallen door in de sperperiode toch prijsverminderingen aan te kondigen en te afficheren. Het verweer van de winkelketens in kwestie luidde in het bijzonder dat de sperperioderegeling onverzoenbaar is met de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken (1).  Via een aantal gerechtelijke procedures op nationaal niveau leidde het twistpunt uiteindelijk tot een aantal  prejudiciële vragen  aan het Hof van Justitie, onder meer door het Hof van Cassatie. Het verzoek betrof de uitlegging van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken. Concreet stelde de nationale rechter de vraag of de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken aldus dient te worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale bepaling zoals artikel 53 van de Wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument ("WHPC")(2) , dewelke op algemene wijze aankondigingen van prijsverminderingen en suggesties daarvan tijdens de sperperiode in bepaalde periodes verbiedt. Het antwoord van het Hof van Justitie op zich loste de discussie niet op. Het Hof beperkte zich tot de stelling dat de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken zich verzet tegen een nationale bepaling zoals artikel 53 van de WHPC, dewelke op algemene wijze aankondigingen van prijsverminderingen en suggesties daarvan tijdens de sperperiode verbiedt, voor zover deze bepaling de bescherming van de consument beoogt.  De beschikking van het Hof verengde aldus de discussie tussen voor- en tegenstanders van de sperperioderegeling tot de discussie of artikel 53 van de WHPC uitsluitend de economische belangen van concurrenten (ondernemingen) beschermde dan wel op enigerlei wijze wel degelijk was ingegeven ter bescherming van de consument. Enkel indien  de nationale rechter zou oordelen dat de sperperioderegeling geheel vreemd is aan de bescherming van de consument dan kon deze regeling in principe worden gehandhaafd.  Door de stelling van het Hof van Cassatie in zijn meest recente arrest dat de wetgever met de invoering van artikel 53 WHPC mede beoogde de consument te beschermen lijkt het Hof nu een duidelijke weg te zijn ingeslagen. Immers, hoewel het door het Hof niet letterlijk wordt gesteld is de enige logisch consequentie van zijn uitspraak dat de sperperiode onwettig is. Het arrest kan dan ook als een mijlpaal worden beschouwd. Voortaan kunnen winkels het hele jaar door naar goeddunken prijsverminderingen aankondigen. Randbemerking hierbij is wel dat het voor de consument nog steeds mogelijk moet zijn om de prijsverminderingen te vergelijken met de oorspronkelijke prijzen. Misleiding van de consument blijft hoe dan ook  verboden. Concreet betekent dit dat de winkels in principe nog wel een referentieperiode dienen te respecteren. Tot slot: Het door het Hof van Cassatie geviseerde artikel 53 van de WHPC werd inmiddels vervangen door de Wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming ("WMPC"). Strikt genomen heeft het Hof van Cassatie geen uitspraak gedaan over deze nieuwe wet. In de praktijk zal dit de draagwijdte van voormeld arrest wellicht niet beperken. De WMPC bevat in artikel 32 immers een bepaling van dezelfde strekking. Het lijkt dan ook niet vanzelfsprekend dat een rechter aan deze bepaling een andere draagwijdte of bedoeling zou toekennen, tenzij de wetgever dit middels een interpretatieve wet zelf zou doen.  (1) De Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad. (2)  Het arrest viseert de bepalingen van de Wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument inmiddels  vervangen door de Wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming.

Share this post
Archive