Het Hof van Cassatie velde op 15 februari 2016 een interessant arrest m.b.t. de verboden terbeschikkingstelling van werknemers en meer bepaald over de financiële gevolgen hiervan. Het Hof oordeelde dat in geval van verboden terbeschikkingstelling de werkgever de factuur voor het onwettig uitgeleende personeel bij niet-betaling niet kan opeisen bij de derde gebruiker.
Buiten de toegelaten gevallen van uitzendarbeid en tijdelijke arbeid is het onder Belgisch arbeidsrecht principieel verboden dat een werkgever zijn werknemers uitleent aan een andere onderneming, die deze werknemers gebruikt en over hen gezag uitoefent (Wet 24 juli 1987 inzake uitzendarbeid, tijdelijke arbeid en terbeschikkingstelling).
Niettemin hebben veel ondernemingen wel nood om bepaalde werken te laten uitvoeren door “externe werknemers” omdat zij bijvoorbeeld niet over de vereiste kennis beschikken. Voormelde wet van 24 juli 1987 maakt het mogelijk om in het kader van een onderliggende overeenkomst werknemers uit te lenen aan een derde-gebruiker waarbij die laatste bepaalde instructies kan geven aan de werknemer, zonder dat dit wordt gekwalificeerd als verboden terbeschikkingstelling. Opdat dit toegelaten zou zijn, moeten vier voorwaarden cumulatief vervuld zijn: (1) een onderliggende overeenkomst tussen werkgever en derde-gebruiker, (2) oplijsting van de mogelijke instructies in de overeenkomst, (3) instructies mogen geen uitholling betekenen van het werkgeversgezag en (4) de feitelijke situatie is conform de overeenkomst. Bovendien heeft de gebruiker een informatieplicht ten aanzien van de werknemersvertegenwoordigers in de ondernemingsraad (of het preventiecomité of de vakbondsafvaardiging).
De terbeschikkingstelling die niet is gebeurd in overeenstemming is met deze voorwaarden, leidt tot belangrijke burgerrechtelijke en strafrechtelijke sancties, zoals een strafrechtelijke of administratieve geldboete en de hoofdelijke aansprakelijkheid voor zowel de uitlener als de derde-gebruiker voor de betaling van o.a. de lonen en sociale bijdragen.
Het Hof van Cassatie voegde daar in zijn arrest van 15 februari 2016 nog een belangrijke sanctie aan toe. Het betrof hier een dienstverlenend bedrijf dat een aantal personeelsleden (specialisten) ter beschikking had gesteld van een derde-gebruiker en hiervoor een factuur had opgesteld van 217.640,35 euro aan personeelskosten voor de uitgeleende werknemers. De derde-gebruiker betaalde dit niet en de uitlener trachtte de factuur in te vorderen langs gerechtelijke weg. Het hof van beroep wees deze vordering af, vermits het hier ging over verboden terbeschikkingstelling van personeel. Het Hof van Cassatie volgde deze zienswijze, vermits dit een aangelegenheid is van openbare orde en de overeenkomst alzo absoluut nietig is. Dat dit eventueel zou leiden tot een “verrijking zonder oorzaak” in hoofde van derde-gebruiker door het gratis gebruik van werknemers, veegde het Hof van Cassatie van tafel door te oordelen dat de maatschappelijke orde verlangt dat de verarmde partij strenger wordt bestraft.
Dit arrest toont aan dat de niet-naleving van het principiële verbod op terbeschikkingstelling van personeel zeer ernstige gevolgen kan hebben. In geval van terbeschikkingstelling van personeel zal het voorhanden zijn van de correcte overeenkomst van essentieel belang zijn.
Voor meer info over dit specifieke onderwerp, kan u Sébastien van Damme (auteur) en Sara Cockx (auteur en celhoofd) raadplegen.