In onze nieuwsbrief van 21 november 2014 berichtten wij al over de hervorming van het pandrecht[1].
De ministerraad keurde op 15 juli 2016 een voorontwerp van wet goed dat verschillende bepalingen wijzigt over zakelijke zekerheden op roerende goederen. Het voorontwerp werd vervolgens aan de Raad van State overgemaakt voor advies.
Het voorontwerp werkt het pandrecht en de voorziene werking van het pandregister verder uit. Ook wetten die in (on)rechtstreeks verband staan met het pandrecht dienden aangepast en afgestemd te worden op de nieuwe pandwetgeving.
De belangrijkste wijzigingen van het voorontwerp betreffen volgens de ministerraad het volgende:
- De inwerkingtreding van de wet van 11 juli 2013 die de nieuwe Pandwet invoert en die met de voorgenomen wet zal worden gewijzigd, wordt opnieuw uitgesteld. Oorspronkelijk was dit 1 december 2014. Na een eerste uitstel naar 1 januari 2017 wordt dit thans opnieuw aangepast naar 1 januari 2018, tenzij de Koning een vroegere datum zou bepalen;
- De verduidelijking dat het pandrecht aan de pandhouder een voorrecht geeft;
- De verduidelijking dat het pandrecht gevestigd kan worden op een roerend goed nadat het goed onroerend is geworden door bestemming;
- De vroeger reeds bestaande mogelijkheid tot herverpanding mits toestemming van de pandgever wordt hersteld;
- De mogelijkheid om de tegenwerpelijkheid van het pandrecht op een schuldvordering te realiseren d.m.v. registratie wordt afgeschaft;
- Het automatisch karakter en de efficiëntie van het register worden gevrijwaard door niet langer te voorzien in een actieve tussenkomst van (de administratie van) de FOD Financiën bij geschillen over onjuiste gegevens;
- De toegang tot het pandregister wordt verruimd zodat de efficiëntie van het systeem en de tegenstelbaarheid van het pandrecht aan derden verzekerd is;
- Ten behoeve van de rechtszekerheid wordt de termijn voor het instellen van een verzoek tot een rechterlijke controle a posteriori ingekort tot één maand;
- De voorrang van het pandrecht op alle jongere rechten op verpande goederen wordt verduidelijkt;
- Het registratierecht op de inpandgeving van een handelszaak en het registratierecht op de vestiging van een landbouwvoorrecht wordt afgeschaft;
- Een aantal kruisverwijzingen worden aangepast ingevolge evoluerende wetgeving.
Met de invoering van de nieuwe Pandwet had de wetgever ook de rechtstreekse vordering en het voorrecht van de onderaannemer beperkt aangepast.[2] De Wet van 11 juli 2013 voerde een consignatiemogelijkheid in voor het geval van betwisting tussen een onderaannemer en aannemer. Door art. 91 van deze wet wordt in de Hypotheekwet uitdrukkelijk opgenomen dat de rechtstreekse vordering niet meer kan worden ingesteld na het ontstaan van de samenloop. De beperking van het voorrecht van de onderaannemer tot vorderingen wegens werken die hij "aan het gebouw van de bouwheer" heeft uitgevoerd of laten uitvoeren, wordt geschrapt in art. 20, 12° van de Hypotheekwet. Er wordt ook uitdrukkelijk vermeld dat het voorrecht van de onderaannemer voorgaat op de pandhouder.
Deze nieuwe regelgeving m.b.t. de rechtstreekse vordering van de onderaannemer en het voorrecht van de onderaannemer zal normaal ook mee worden uitgesteld naar uiterlijk 1 januari 2018.
[1]N.a.v. de Wet van 11 juli 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter zake, BS 2 augustus 2013.
[2]Zie ook T. REYNTIENS en S. BUSSCHER, "Kanttekeningen bij de invoering van de Nieuwe Pandwet : ook de rechtstreekse vordering en het voorrecht van de onderaannemer worden gewijzigd", TBO 2015, 178-179.
Voor meer info over dit specifieke onderwerp, kunt u Eva Zaman en Siegfried Busscher (de auteurs) raadplegen.