In een recent arrest van 21 januari 2016 heeft het Grondwettelijk Hof zich opnieuw uitgesproken over het vroegere onderscheid tussen arbeiders en bedienden op het vlak van hun opzeggingstermijn en de wijze waarop dit onderscheid door de wetgever werd weggewerkt in de Wet op het Eenheidsstatuut.
Het bodemgeschil betrof een zaak voor de arbeidsrechtbank te Luik waarbij een bediende wegens dringende reden werd ontslagen in november 2013. De dringende reden werd ongegrond verklaard, waarop discussie ontstond over de toepasselijke opzeggingsvergoeding die toekwam aan de bediende.
Bij arrest van 7 juli 2011 oordeelde het Grondwettelijk Hof echter dat de discriminatie tussen arbeiders en bedienden op het vlak van de opzeggingstermijnen en de carenzdag tegen ten laatste 8 juli 2013 opgelost diende te zijn. Deze deadline werd niet gehaald, daar de Wet op het Eenheidsstatuut pas in voege trad op 1 januari 2014.
Het ontslag van de betrokken bediende situeerde zich aldus in de periode na de deadline van het Grondwettelijk Hof en vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving. Hierdoor was de afwikkeling van het ontslag nog onderworpen aan de door het Grondwettelijk Hof bevonden discriminatoire regels.
In voorliggend arrest van eind januari 2016 herhaalt het Grondwettelijk Hof dat de in het verleden bestaande verschillende regels inzake de opzegging van arbeiders en bedienden in strijd zijn met de Grondwet. Het Hof is echter mild voor de wetgever en beslist dat de gevolgen van deze discriminerende wetsbepalingen nog gehandhaafd moeten worden tot 31 december 2013, i.e. tot aan de inwerkingtreding van de Wet op het Eenheidsstatuut.
Het Grondwettelijk Hof motiveert deze beslissing onder verwijzing naar het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Indien de vernietiging van de bepalingen meteen gevolgen zou teweegbrengen, zou er voor een rechter die te maken krijgt met een gelijkaardige zaak, geen wettelijke basis meer voorhanden zijn voor het bepalen van de toepasselijke opzeggingsvergoeding.
Het Hof voegt hieraan nog toe dat het doel - de harmonisatie van beide statuten - door de inwerkingtreding van de Wet op het Eenheidsstatuut reeds is bereikt, ook al heeft de regelgever de vooropgestelde deadline niet gehaald en bestonden er alzo gedurende een korte termijn nog discriminaties.
Voor meer info over dit specifieke onderwerp, kan u Sébastien van Damme (auteur) en Sara Cockx (auteur en celhoofd) raadplegen.