Skip to Content

De taak van cijferberoepers in het kader van de WCO

11 December 2016

Recent is er meer duidelijkheid gekomen over de taak die de cijferberoepers toebedeeld kregen van de wetgever in de WCO. Over de invulling van deze taken werd enerzijds een aanbeveling goedgekeurd door de Hoge Raad voor de Economische Beroepen en anderzijds heeft het Hof van Beroep te Antwerpen een relevante uitspraak gedaan.

De Wet betreffende de Continuïteit van de Ondernemingen (hierna: WCO) biedt handelaars, landbouwers en burgerlijke vennootschappen met handelsdoel de mogelijkheid om te pogen een faillissement af te wenden door een gerechtelijke reorganisatie. Deze gerechtelijke reorganisatie kan bestaan in een minnelijk of gerechtelijk akkoord met de schuldeisers of in de overdracht van het geheel of een deel van de onderneming onder gerechtelijk gezag.

Binnen de procedures van de WCO voorziet de wetgever in twee taken voor externe accountants, externe belastingconsulenten, externe erkende boekhouders, externe boekhouder-fiscalisten en bedrijfsrevisoren (hierna: cijferberoepers) van de ondernemingen. (Let wel: per taak verschillen de geviseerde cijferberoepers.)

Ten eerste dienen de cijferberoepers de onderneming in te lichten over gewichtige en overeenstemmende feiten die de continuïteit van de onderneming in het gedrang kunnen brengen en die zij vaststellen in de uitoefening van hun opdracht. Als de onderneming geen maatregelen treft binnen een termijn van een maand om de continuïteit van de onderneming voor ten minste een jaar te waarborgen, kan de cijferberoeper de rechtbank van koophandel daarover inlichten, zonder daarmee zijn beroepsgeheim te schenden. Dat bepaalt artikel 10, 5e lid van de WCO.

De rechter kan vervolgens bij de cijferberoeper inlichtingen inwinnen over de aanbevelingen die hij heeft gedaan aan de schuldenaar en de maatregelen die genomen zijn om de continuïteit van de onderneming te waarborgen. Dat staat in artikel 12, 5e lid van de WCO.

Om een gerechtelijke reorganisatie op te starten, moet de onderneming een verzoekschrift richten tot de rechtbank van koophandel. Daarin situeert zich de tweede taak van de cijferberoepers. Enerzijds moet een cijferberoeper toezien bij de opstelling van een staat van activa en passiva en een resultatenrekening en anderzijds moet de cijferberoeper de onderneming bijstaan bij het opstellen van een begroting met een schatting van de inkomsten en uitgaven tijdens de duur van de gevraagde opschorting, welke beide bij het verzoekschrift dienen te worden gevoegd.

Recente gebeurtenissen hebben deze abstract omschreven wettelijke taken geconcretiseerd. 

Ten eerste keurde de Hoge Raad voor de Economische Beroepen op 16 maart 2016 de interinstitutenaanbeveling van het IBR, het IAB en het BIBF goed, zoals hierboven vermeld. Deze aanbeveling is bedoeld als leidraad voor de invulling van de opdracht van de cijferberoepers bij het uitvoeren van de hierboven beschreven taken. De aanbeveling is opgesteld door de beroepsinstellingen voor de cijferberoepers gezamenlijk, opdat de verschillende beroepsgroepen deze verplichtingen uniform interpreteren.

Ten tweede heeft het Hof van Beroep te Antwerpen op 8 september 2016 de principes toegepast in een zaak waarin de veroordeling gevorderd werd van de externe boekhouder van een gefailleerde onderneming tot de betaling van de facturen van een schuldeiser van de gefailleerde, omdat de boekhouder tekortgekomen zou zijn aan zijn verplichtingen ingevolge artikel 10, 5e lid WCO en dus zowel de - op het ogenblik van het instellen van de vordering reeds gefailleerde - onderneming als de rechtbank van koophandel niet op de hoogte heeft gebracht van feiten die de continuïteit van de onderneming in het gedrang konden brengen en klaarblijkelijk, gelet op het faillissement, ook gebracht hebben.

Het Hof wijst deze vordering integraal af. De schuldeiser toonde vooreerst niet aan dat de boekhouder kennis kreeg van "gewichtige en overeenstemmende feiten" die de meldingsplicht zouden doen ontstaan. Het hof stelt ook vast dat de wet de cijferberoeper niet opdraagt een systematisch en georganiseerd onderzoek te doen om voortdurend de continuïteit van de onderneming te bewaken. Indien de cijferberoeper weet dat de onderneming – cliënt van de boekhouder – op de hoogte is van zijn eigen precaire toestand en gepaste maatregelen heeft genomen, is het niet nodig dat de cijferberoeper zijn bedoelde vaststellingen meldt aan de onderneming. Ten slotte is het slechts een facultatieve mogelijkheid voor de cijferberoeper om de rechtbank van koophandel in te lichten en geenszins een verplichting, zodat het niet inlichten geen fout kan uitmaken van de boekhouder. De externe boekhouder is daarenboven zelfs niet opgenomen in de lijst van art. 10, 5e lid WCO wat betreft de melding aan de rechtbank van koophandel.

Deze beide ontwikkelingen scheppen een kader voor de eventuele aansprakelijkheid van de cijferberoeper, dat relevant kan zijn zowel voor ondernemingen in moeilijkheden als voor de schuldeisers van die ondernemingen.

Voor meer informatie over dit specifieke onderwerp, kan u Sophie Deckers, Dave Mertens (auteurs) en Gwen Bevers (celhoofd) raadplegen.

Share this post
Archive