Skip to Content

Grondwettelijk Hof biedt BVBA-schuldeisers gelijke bescherming

13 November 2016

In een eerdere nieuwsflash kondigden we aan dat het Grondwettelijk Hof zich zou uitspreken over een recente wijziging in het Wetboek van Vennootschappen. Door die wijziging kunnen de schuldeisers van een NV bescherming vragen naar aanleiding van een herstructurering (fusie, splitsing, enz.) of kapitaalvermindering, zelfs als hun schuldvordering door de NV betwist werd in rechte (of via arbitrage). Schuldeisers van een BVBA kregen die mogelijkheid niet. Zoals verwacht, aanvaardde het Grondwettelijk Hof dit onderscheid niet.

Vraag voor de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel

Aanleiding voor de vraag aan het Hof, was een geschil tussen de NV Schuldenaar en een gemeente over een concessieovereenkomst. Dit geschil was voorgelegd aan de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen. In de loop van de procedure bewoog er echter heel wat ‘binnen’ de NV Schuldenaar.

Op een algemene vergadering kort na aanvang van de procedure werd de NV Schuldenaar omgezet in een BVBA, waarna het kapitaal met meer dan 200.000 euro werd verminderd om het op het BVBA-minimum van 18.550 euro te brengen. 

De gemeente reageerde alert en vroeg de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel om haar schuldenaar bijkomende zekerheden op te leggen. In toepassing van de Wet van 22 november 2013[i] werd de bescherming van schuldeisers bij een kapitaalvermindering immers uitgebreid, naar vorderingen die het voorwerp uitmaken van een procedure.

Die uitbreiding gold echter alleen voor de schuldeisers van een NV. Voor de schuldeisers van een BVBA, werd de bescherming niet uitgebreid. Omdat dit op geen enkele manier was gemotiveerd in de parlementaire voorbereiding, werd aangenomen dat het om een vergetelheid van de wetgever ging. Als de BVBA dus nog een NV zou zijn geweest, kon de gemeente bescherming vragen.

De rechter was nochtans genoodzaakt om in het concessiegeschil de regels voor een BVBA toe te passen. Bij het inleiden van de procedure, was de omzetting naar een BVBA al gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en dus tegenwerpelijk aan derden, ook schuldeisers.

De gemeente/schuldeiser hing zo vast aan de regels voor een BVBA, maar beriep zich op het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Concreet werd (onder andere) aangevoerd dat schuldeisers van een BVBA werden gediscrimineerd ten opzichte van de schuldeisers van een NV. De Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel had hier oor naar en stelde de vraag aan het Grondwettelijk Hof.

Antwoord van het Grondwettelijk Hof

In een arrest van 9 juni 2016 stelde het Hof vast dat er inderdaad geen analoge bepaling werd ingevoerd voor de BVBA. Voor dit onderscheid vond het Hof geen enkele verklaring in de parlementaire voorbereiding. Ondanks pogingen van de ministerraad, werd ook in de debatten voor het Hof onvoldoende verantwoording geboden voor het onderscheid.

De loutere modaliteit van de rechtsvorm (BVBA of NV), vormt voor het Hof geen pertinent criterium voor een verschillende behandeling van de schuldeisers van de vennootschap. De wetgever kon daarom niet de bescherming van NV-schuldeisers uitbreiden, terwijl die voor schuldeisers van een BVBA ongewijzigd bleef – minstens niet zonder dit te rechtvaardigen.

Ook schuldeisers die in een procedure verwikkeld zijn met een BVBA, komen in toepassing van deze redenering in aanmerking voor bescherming als de BVBA haar kapitaal vermindert. 

[i] Wet van 22 november 2013 tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen, wat de waarborgen van de schuldeisers bij een kapitaalherschikking betreft, BS 16 december 2013, 98849.

Voor meer informatie kan u Joost van Riel (auteur) en Gwen Bevers (celhoofd) raadplegen.

Share this post
Archive