Se rendre au contenu

Cassatie verduidelijkt de taak van de rechter bij verstek

9 janvier 2017
Geert De Buyzer
Sophie Deckers

Eén van de meer controversiële wijzigingen van de eerste Potpourriwet van 19 oktober 2015[1] had betrekking op de taak van de rechter bij verstek.

Voorheen ging de rechter in geval van verstek zijn bevoegdheid na, alsook de gegrondheid van de vordering of verweermiddelen van de verschijnende partij. Sinds Potpourri I, dat art. 806 Ger.W. wijzigde, dient de rechter evenwel in het verstekvonnis de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij zonder meer in te willigen, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde.

De wetgever rechtvaardigde die wijziging door te verwijzen naar de mogelijkheid tot verzet, die de versteklatende partij te goeder trouw reeds voldoende bescherming moet bieden. Onderliggende veronderstelling is dat in de meeste gevallen de niet-verschijnende partij verstek laat omdat haar vordering of verweer toch niet gegrond is. De schorsende werking van het verzet werd in dezelfde Potpourriwet behouden ter bijkomende bescherming van de versteklatende partij, terwijl die werd afgeschaft voor het hoger beroep.

De nieuwe formulering van art. 806 Ger.W. leidde in de praktijk tot heel wat onduidelijkheid. Wat moest de rechter nu precies doen bij verstek van een partij?

In een 2016 verduidelijkt het Hof van Cassatie dat, in de context van art. 806 Ger.W., het inwilligen van een kennelijk ongegronde vordering of een kennelijk ongegrond verweer strijdt met de openbare orde. De rechter moet dus steeds in geval van verstek de gegrondheid van de vordering of van het verweer van de verschijnende partij nagaan en een kennelijk ongegronde vordering of kennelijk ongegrond verweer afwijzen.

Het Hof van Cassatie zoekt aldus klaarblijkelijk weer aansluiting bij de situatie van voor de inwerkingtreding van de wet van 19 oktober 2015. Aldus lijken we, na meer dan een jaar onzekerheid, terug naar af.

[1]Zie ook onze eerdere nieuwsbrief.

Voor meer informatie over dit specifieke onderwerp, kan u Sophie Deckers en Geert De Buyzer (auteurs) contacteren.

Eén van de meer controversiële wijzigingen van de eerste Potpourriwet van 19 oktober 2015[1] had betrekking op de taak van de rechter bij verstek.

Voorheen ging de rechter in geval van verstek zijn bevoegdheid na, alsook de gegrondheid van de vordering of verweermiddelen van de verschijnende partij. Sinds Potpourri I, dat art. 806 Ger.W. wijzigde, dient de rechter evenwel in het verstekvonnis de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij zonder meer in te willigen, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde.

De wetgever rechtvaardigde die wijziging door te verwijzen naar de mogelijkheid tot verzet, die de versteklatende partij te goeder trouw reeds voldoende bescherming moet bieden. Onderliggende veronderstelling is dat in de meeste gevallen de niet-verschijnende partij verstek laat omdat haar vordering of verweer toch niet gegrond is. De schorsende werking van het verzet werd in dezelfde Potpourriwet behouden ter bijkomende bescherming van de versteklatende partij, terwijl die werd afgeschaft voor het hoger beroep.

De nieuwe formulering van art. 806 Ger.W. leidde in de praktijk tot heel wat onduidelijkheid. Wat moest de rechter nu precies doen bij verstek van een partij?

In een 2016 verduidelijkt het Hof van Cassatie dat, in de context van art. 806 Ger.W., het inwilligen van een kennelijk ongegronde vordering of een kennelijk ongegrond verweer strijdt met de openbare orde. De rechter moet dus steeds in geval van verstek de gegrondheid van de vordering of van het verweer van de verschijnende partij nagaan en een kennelijk ongegronde vordering of kennelijk ongegrond verweer afwijzen.

Het Hof van Cassatie zoekt aldus klaarblijkelijk weer aansluiting bij de situatie van voor de inwerkingtreding van de wet van 19 oktober 2015. Aldus lijken we, na meer dan een jaar onzekerheid, terug naar af.

[1]Zie ook onze eerdere nieuwsbrief.

Voor meer informatie over dit specifieke onderwerp, kan u Sophie Deckers en Geert De Buyzer (auteurs) raadplegen.

Partager cet article
Archive