Se rendre au contenu

Oud artikel 81 Welzijnswet niet strijdig met legaliteitsbeginsel

28 juillet 2015

Het Grondwettelijk Hof velde recent een interessant arrest inzake de toepassing van het legaliteitsbeginsel op de Welzijnswet.

Aan de oorsprong van deze zaak ligt een arbeidsongeval op een bouwplaats. Op de tweede verdieping struikelde een werknemer over een elektrische buis in een niet door leuningen beveiligde trapschacht. De opdrachtgever van het bouwproject wordt strafrechtelijk vervolgd voor het ongeval omdat hij inbreuken pleegde op het Koninklijk Besluit van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen (een uitvoeringsbesluit van de Welzijnswet): hij zorgde er o.a. niet voor dat er beveiligingsmiddelen op de bouwplaats aanwezig waren, dat de kandidaten bij hun offertes het gezondheids -en veiligheidsplan verkregen en heeft nagelaten om de veiligheidscoördinator alle nodige informatie te verstrekken.

Oud artikel 81 Welzijnswet, inmiddels vervangen door de artikelen 128 en 131 Sociaal Strafwetboek, stelt inbreuken op de Welzijnswet én haar uitvoeringsbesluiten strafbaar.

Er bestond sedert geruime tijd betwisting in de rechtsleer en rechtspraak of artikel 81 Welzijnswet wel te verzoenen valt met het legaliteitsbeginsel in strafzaken. Dit beginsel eist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijk gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid geeft. Het wettigheidsbeginsel gaat echter niet zover dat het de wetgever verplicht elk aspect van de strafbaarstelling te regelen. Een delegatie aan de Koning is niet in strijd met het wettigheidsbeginsel in strafzaken voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen vooraf door de wetgever zijn vastgesteld.

In huidig geschil wierp de opdrachtgever op dat artikel 81 Welzijnswet de essentiële elementen van de strafbaarstelling niet bevat, zodat de Koning, d.m.v. de uitvoeringsbesluiten, de volledige vrijheid verkrijgt om te bepalen welke welzijnsverplichtingen in acht moeten worden genomen.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde echter dat de tenlasteleggingen in dit geschil berusten op de artikelen 86 en 87 van de Welzijnswet waarnaar artikel 81 Welzijnswet verwijst. Deze bepalingen bevatten een machtiging aan de Koning die op voldoende nauwkeurige wijze bepaald is zodat er geen sprake kan zijn van enige schending van het grondwettelijke legaliteitsbeginsel.

Voor meer info over dit specifieke onderwerp, kan u Sara Cockx en Laura Sol (de auteurs) raadplegen.

Partager cet article
Archive