De wet van 28 juni 2015 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie met het oog op het verzekeren van de bevoorradingszekerheid op het gebied van energie, voorzag in een mogelijke verlenging van de exploitatie van de Belgische kerncentrales.
Specifiek wat de centrales Doel 1 en 2 betrof, werd in deze wet een mogelijke verlenging voorzien tot 15 februari resp. 1 december 2025 (zie ook onze nieuwsbrief hierover van 3 december 2015).
De vzw “Inter-Environnement Wallonie” en de vzw “Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen” hebben tegen deze wet een beroep tot vernietiging ingesteld bij het Grondwettelijk Hof.
Een belangrijk argument in dit vernietigingsberoep is dat, in het kader van de totstandkoming van de wet en de voormelde besluitvorming, geen publieke consultatie werd georganiseerd en geen project-milieueffectenrapport werd opgemaakt. Hierdoor is de voormelde wet mogelijk in strijd met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie en het recht op een gezond leefmilieu, en daarmee samenhangende Europese verdragen, waaronder het Verdrag van Espoo (inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband) en het Verdrag van Aarhus (over de toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden).
Het Grondwettelijk Hof heeft in een interessant arrest van 22 juni 2017 geoordeeld dat een lidstaat van de Europese Unie vrij blijft om de structuur van zijn energievoorziening te bepalen. Die staat kan evenwel niet worden vrijgesteld van het naleven van de milieuverplichtingen die uit het recht van de Europese Unie voortvloeien, zoals de MER-plicht en de consultatie hierover. Om duidelijkheid over de draagwijdte van die verplichtingen te krijgen, heeft het Hof thans beslist om verschillende prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie te stellen over de toepassing van het Verdrag van Espoo, het Verdrag van Aarhus, de Europese MER-richtlijn en de Habitatrichtlijn, alsook over de mogelijke handhaving van de gevolgen van de bestreden wet bij strijdigheid met (één van) die rechtsregels.
Voor meer informatie over dit onderwerp kan u Kristof Hectors (celhoofd) en Barbara Bastiaensen (auteur) raadplegen.